ECLI:NL:GHAMS:2011:BV3296

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.084.056/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 2 onder e en g WgbzArt. 29 Wet griffierechten burgerlijke zaken
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling griffierecht bij hoger beroep in meerdere echtscheidingszaken

In deze zaak ging het om hoger beroep tegen verschillende (tussen)beschikkingen van de rechtbank Amsterdam in een echtscheidingsprocedure met nevenvoorzieningen. Verzoekers kwamen in verzet tegen het opnieuw heffen van griffierecht voor twee afzonderlijke verweerschriften in hoger beroep.

De rechtbank had de echtscheiding uitgesproken en meerdere voorlopige voorzieningen getroffen. Tegen diverse beslissingen van de rechtbank was hoger beroep ingesteld, waarbij de zaken door het hof waren samengevoegd. Verzoekers stelden dat slechts eenmaal griffierecht verschuldigd was omdat het om één en dezelfde zaak ging.

Het hof oordeelde dat voor elk afzonderlijk verweerschrift in hoger beroep griffierecht verschuldigd is, tenzij het verzoekschrift in de loop van een aanhangig geding wordt ingediend en op dat geding betrekking heeft. Dit was niet het geval, omdat het ging om verweer in twee afzonderlijke beroepen tegen verschillende beslissingen en dus om verschillende gedingen.

Daarom verklaarde het hof het verzet ongegrond en bevestigde de heffing van twee afzonderlijke griffierechten.

Uitkomst: Het verzet tegen dubbele heffing van griffierecht werd ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
ELFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
BESCHIKKING
op het verzet op grond van artikel 29 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz)van:
1. X en
2. mr. H. LOONSTEIN, advocaat te Amsterdam,
verzoekers.
1. De procedure
Bij op 18 maart 2011 ter griffie ontvangen verzoekschrift zijn verzoekers in verzet gekomen tegen de hierna te noemen beslissingen van de griffier van dit hof.
Het hof heeft beschikking bepaald op heden.
2. Bestreden beslissingen
Bij nota van 19 februari 2011 heeft de griffier van dit hof in de zaak met zaaknummer 200.074.897/01 een bedrag van € 263,- aan griffierecht in rekening gebracht. Deze nota hebben verzoekers op 23 februari 2011 voldaan.
Bij nota van 22 februari 2011 heeft de griffier van dit hof in de zaak met zaaknummer 200.079.158/01 een bedrag van € 280,- aan griffierecht in rekening gebracht. Deze nota hebben verzoekers op 18 maart 2011 voldaan.
3. Verzoek
Verzoekers maken er bezwaar tegen dat de griffier opnieuw tweemaal griffierecht heeft geheven. Volgens verzoekers is in beide gevallen geen griffierecht verschuldigd. Verzoekers hebben gesteld dat beide verweerschriften waarvoor griffierecht is geheven betrekking hebben op één en dezelfde zaak, die destijds met één verzoekschrift d.d. 7 februari 2007 bij de rechtbank is aangevangen en waarin reeds eerder hoger beroep is ingesteld (200.008.080/01 en 200.015.370/01). Volgens verzoekers dient slechts eenmaal griffierecht in rekening gebracht te worden, hetgeen volgens hen ook strookt met de behandeling van dagvaardingszaken.
4. Beoordeling
4.1. Bij verzoekschrift van 7 februari 2007 heeft de ex-echtgenoot van verzoekster sub 1 de rechtbank Amsterdam verzocht de echtscheiding uit te spreken. Verzoekster sub 1 heeft verweer gevoerd en heeft verzocht nevenvoorzieningen te treffen. Deze zaak is bij de rechtbank onder zaaknummer 362602/FA RK 07-900 geregistreerd. Daarnaast zijn door de rechtbank Amsterdam voorlopige voorzieningen gedurende de echtscheidingsprocedure getroffen onder zaaknummer 351760/ FA RK 06-6100 en zijn voorlopige voorzieningen gewijzigd onder zaaknummer 401678/ FA RK 08-4962.
De echtscheiding is uitgesproken door de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 19 maart 2008. Daartegen is hoger beroep ingesteld op 18 juni 2008, welke zaak bij het hof is geregistreerd onder nummer 200.008.080/01 en waarvan de beslissing in hoger beroep dateert van 25 september 2008. Ook is er hoger beroep ingesteld tegen de opvolgende (tussen)beschikking van de rechtbank van 9 juli 2008, waarin is bepaald dat de ex-echtgenoot van verzoekster sub 1 huurder zal zijn van de woning en een deskundige is benoemd, welke zaak bij het hof is geregistreerd onder nummer 200.015.370/01. Voorts is hoger beroep ingesteld tegen de volgende (tussen)beschikkingen van de rechtbank van 14 april 2010 en 14 juli 2010, waarin respectievelijk verzoekster sub 1 niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek inzake het huurrecht van de echtelijke woning en er ten behoeve van haar een partneralimentatie is vastgesteld, welke zaak bij het hof is geregistreerd onder zaaknummer 200.074.897/01. Daarna is er hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 22 september 2010 waarin de kosten van de deskundige zijn vastgesteld en de ex-echtgenoot van verzoekster sub 1 voor een bedrag van € 3.195,15 in deze kosten is veroordeeld en ook in de proceskosten is veroordeeld, welke zaak bij het hof bekend is onder zaaknummer 200.079.158/01. De zaken onder nummer 200.074.897/01 en 200.079.158/01 zijn door het hof gevoegd.
4.2. De vraag is of het gerechtvaardigd is dat voor deze twee verweerschriften in hoger beroep (afzonderlijk) griffierecht wordt geheven. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Het uitgangspunt is dat voor iedere indiening van een verzoekschrift of verweerschrift griffierecht geheven wordt. Een uitzondering hierop geldt in geval een verzoekschrift in de loop van een aanhangig geding wordt ingediend en op dat geding betrekking heeft en indien tegen een dergelijk verzoek verweer wordt gevoerd (artikel 4 lid 2 onder Pro e en g Wgbz).
Naar het oordeel van het hof is daarvan in dit geval geen sprake. Het gaat immers niet om verweer tegen verzoekschriften die in de loop van een aanhangig geding in hoger beroep worden ingediend en op dat geding betrekking hebben, maar om verweer in twee afzonderlijke beroepen tegen verschillende beslissingen van de rechtbank en daarmee om verschillende gedingen. Indien die beslissingen zijn genomen in dezelfde zaak in eerste aanleg, maakt zulks dat niet anders.
4.3. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die tot het door verzoekers gewenste resultaat leiden. Het verzet is daarom ongegrond.
5. Beslissing
Het hof:
- verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mrs. W.J.J. Los, W.J. van den Bergh en G.C.C. Lewin en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 mei 2011.