ECLI:NL:GHAMS:2011:BU8842
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Voortzetting huurovereenkomst bedrijfsruimte na ontbinding en opzegtermijn
In deze zaak vordert Mul betaling van huurpenningen over de periode tot 1 oktober 2010 van [Appellant], die na ontbinding van de huurovereenkomst en ontruimingsvonnis de bedrijfsruimte bleef gebruiken en huurprijs betaalde. [Appellant] betwistte dat de huurovereenkomst voortduurde en stelde dat hij geen opzegtermijn hoefde te respecteren.
De kantonrechter stelde vast dat het gebruik tegen betaling niet berustte op het ontruimingsvonnis, maar op de huurovereenkomst, en dat de opzegtermijn van een jaar bleef gelden. Het hof bevestigde dit oordeel, waarbij het belang van artikel 7:230 BW Pro centraal stond, dat voortzetting van gebruik na einde huurovereenkomst leidt tot vermoedelijke voortzetting voor onbepaalde tijd, tenzij anders blijkt.
Het hof oordeelde dat de geobjectiveerde bedoeling van partijen uit de feiten en gedragingen bleek, zoals het sturen van huurnota’s en betaling inclusief indexering door [Appellant], en correspondentie waarin de relatie als huurovereenkomst werd erkend. Het enkele feit dat [Appellant] een andere innerlijke bedoeling had, was onvoldoende. De vordering tot betaling van huur werd toegewezen, maar de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van werkzaamheden.
De uitspraak bevestigt dat na ontbinding en ontruimingsvonnis voortgezet gebruik en betaling kunnen leiden tot voortzetting van de huurovereenkomst met inachtneming van wettelijke opzegtermijnen.
Uitkomst: De huurovereenkomst werd geacht voort te duren met inachtneming van een opzegtermijn van een jaar; de huurvordering werd toegewezen, buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.