ECLI:NL:GHAMS:2011:BU3810
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- T.A. de Roos
- H. Harmsen
- K. van der Meijde
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs bodemverontreiniging door lekkend voertuig
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het vermeende lekken van olie of een olieachtige vloeistof uit zijn motorvoertuig, waardoor de bodem zou zijn verontreinigd. De tenlastelegging betrof het overtreden van artikel 13 van Pro de Wet bodembescherming, waarbij verdachte werd verweten onvoldoende maatregelen te hebben genomen om bodemverontreiniging te voorkomen of te beperken.
Het hof heeft het bewijs zorgvuldig onderzocht, waaronder verklaringen van verbalisanten en fotomateriaal. Hoewel de vloeistof op het wegdek onder het voertuig terechtkwam, bestond dit uit klinkers met voegen van circa vijf millimeter. Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat de vloeistof daadwerkelijk op of in de bodem, zoals bedoeld in de Wet bodembescherming, was geraakt.
De verdediging voerde een niet-ontvankelijkheidsverweer aan omdat het een bagatelzaak zou betreffen, maar dit werd verworpen. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij wegens onvoldoende bewijs. De uitspraak benadrukt het belang van een strikte bewijsvoering bij milieuovertredingen en de toepassing van het motiveringsvoorschrift van artikel 359 Sv Pro.
Het openbaar ministerie had in hoger beroep een veroordeling gevorderd tot een voorwaardelijke geldboete of vervangende hechtenis, maar het hof kon deze vordering niet honoreren wegens gebrek aan bewijs. De zaak illustreert de zorgvuldigheid die vereist is bij het vaststellen van bodemverontreiniging en de grenzen van het opportuniteitsbeginsel in vervolgingsbeslissingen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat olie daadwerkelijk op of in de bodem is geraakt.