ECLI:NL:GHAMS:2011:BT8411
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R. Veldhuisen
- R.P.P. Hoekstra
- M.E.A. Wildenburg
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak invoer heroïne wegens gebrek aan bewijs opzet en matiging straf wegens termijnoverschrijding
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het opzettelijk binnenbrengen van 204 kilogram heroïne in Nederland. Het onderzoek was complex en kende internationale samenwerking met Duitsland en Turkije, met betrokkenheid van Amerikaanse DEA-verbindingsofficieren. De verdediging voerde onder meer aan dat de opsporingsmethoden en internationale samenwerking onrechtmatig waren en dat verdachte geen wetenschap had van de heroïne in de bestelbus.
Het hof oordeelde dat het onderzoek rechtmatig was verlopen, ondanks de internationale samenwerking en de rol van de DEA, die geen opsporingshandelingen in Nederland verrichtte. De bewijsvoering toonde onvoldoende aan dat verdachte wist van de aanwezigheid van heroïne in de door hem bestuurde bestelbus. De verklaringen van medeverdachte 3 waren onbetrouwbaar en er ontbraken andere bewijsmiddelen die wetenschap konden bevestigen.
Daarom sprak het hof verdachte vrij van het opzettelijk invoeren van heroïne. Wel werd subsidiair bewezen verklaard dat verdachte handelde in strijd met artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet, waarvoor hij werd veroordeeld tot vijf maanden hechtenis. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase matigde het hof de straf tot vijf maanden. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed zelf recht.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van opzettelijke invoer heroïne en veroordeeld tot vijf maanden hechtenis voor subsidiaire overtreding Opiumwet met matiging wegens termijnoverschrijding.