ECLI:NL:GHAMS:2011:BT7318
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J.H. Huijzer
- M.W.E. Koopmann
- A.M. Hol
- Rechtspraak.nl
Uitleg artikel 7:323 BW en onvrijwillige ontruiming van gepachte landbouwgrond
De Gemeente Amsterdam had aan de rechtsvoorganger van de Erven in 1969 landbouwgrond in gebruik gegeven. In 2008 kondigde de Gemeente aan de mondelinge gebruiksovereenkomst per 1 juli 2009 te willen beëindigen en de gronden vrij van gebruik te willen ontvangen. De Erven stelden dat sprake was van een pachtovereenkomst. Na het overlijden van [X] startte de Gemeente een bodemprocedure die door de pachtkamer werd behandeld.
De voorzieningenrechter had de Erven veroordeeld tot ontruiming van de gronden uiterlijk 30 september 2009. De Erven gingen in hoger beroep tegen dit vonnis en voerden aan dat vrijwillige ontruiming de pachtovereenkomst onmiddellijk beëindigt, waardoor zij geen recht op schadeloosstelling zouden hebben. Het hof oordeelde dat eenzijdige ontruiming zonder overeenkomst niet direct de pachtovereenkomst beëindigt en dat een ontruiming op grond van een voorlopige voorziening de rechten van de Erven op schadeloosstelling niet uitsluit.
Het hof stelde dat voor een voorlopige voorziening tot ontruiming een spoedeisend belang van de Gemeente vereist is en dat dit belang onvoldoende was onderbouwd, mede omdat de pachtpercelen nog steeds aanwezig waren en de Gemeente onvoldoende aantoonde dat de plannen dringend waren. Het hof achtte aannemelijk dat de Erven niet langer landbouw uitoefenden, zodat ontbinding van de pachtovereenkomst waarschijnlijk is, maar dit rechtvaardigde geen voorlopige ontruiming. Het hof vernietigde het vonnis van de voorzieningenrechter en wees de gevorderde voorlopige voorziening af, met veroordeling van de Gemeente in de kosten.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst de gevorderde voorlopige voorziening tot ontruiming af wegens onvoldoende spoedeisend belang.