ECLI:NL:GHAMS:2011:BR6420
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs causale relatie medische kunstfout en schade
In deze zaak stond centraal de vraag of het ziekenhuis aansprakelijk was voor schade als gevolg van een vermeende vertraging in een operatieve ingreep na een medische fout door een arts-assistent. Het hof stelde vast dat de arts-assistent niet handelde zoals van een redelijk bekwaam arts mocht worden verwacht, waardoor het ziekenhuis tekort is geschoten in de behandeling.
Deskundigenrapportages gaven aan dat appellante direct naar het ziekenhuis had moeten worden geroepen voor nader onderzoek, maar dat het zeer onaannemelijk was dat zij met spoed zou zijn geopereerd. Er was twijfel over de diagnose caudasyndroom en de oorzaak daarvan, waarbij een functioneel caudasyndroom werd overwogen waarvoor geen spoedoperatie geïndiceerd is.
Het hof oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat de operatie binnen 24 uur had moeten plaatsvinden en dat er sprake was van een vertraging die schade veroorzaakte. Appellante had onvoldoende concreet onderbouwd dat zij schade had geleden door het nalatig handelen van het ziekenhuis. Wel werden de kosten van de deskundigen in hoger beroep voor rekening van het ziekenhuis gelaten.
Daarom vernietigde het hof het bestreden vonnis, wees de vorderingen af, veroordeelde appellante in de proceskosten en bepaalde dat de kosten van deskundigen voor rekening van het ziekenhuis blijven.
Uitkomst: De vorderingen van appellante worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van schade door vertraging operatie.