ECLI:NL:GHAMS:2011:BR2898
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aansprakelijkheid ziekenhuis bij niet tijdig stellen CVA/TIA-diagnose en causale gevolgen
In deze civiele zaak vordert appellant vergoeding van schade als gevolg van een herseninfarct dat volgde op een niet tijdig gestelde diagnose van een cerebrovasculair accident (CVA/TIA) door het ziekenhuis. Appellant presenteerde zich op 5, 6 en 7 juni 2007 met neurologische klachten bij de spoedeisende hulp, maar werd telkens naar huis gestuurd. Op 8 juni 2007 kreeg appellant een herseninfarct en werd pas op 9 juni opnieuw opgenomen en behandeld.
Het ziekenhuis erkende aansprakelijkheid voor het niet opnemen van CVA/TIA in de differentiaaldiagnose op 7 juni 2007, maar betwistte dat dit tot een ander beloop had geleid. Een onafhankelijk neuroloog stelde dat eerder starten met medicatie de kans op een herseninfarct met slechts 1,7% zou hebben verminderd. De rechtbank oordeelde dat dit kansverlies juridisch niet relevant is en wees de vordering af.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte de omkeringsregel niet toepaste en een verkeerde maatstaf hanteerde bij de kansleer. Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende stelde om causaal verband aan te nemen tussen de medische fout en het infarct. Ook was niet aannemelijk dat eerder medicatie zou zijn gestart. Het hof bekrachtigde het vonnis en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering van appellant af wegens onvoldoende causaal verband tussen medische fout en herseninfarct.