ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8043
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vordering tot schorsing tenuitvoerlegging verstekvonnis en bestreden vonnis in hoger beroep
In deze civiele zaak vordert appellante schorsing van de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis en een bestreden vonnis, totdat het derdenverzet onherroepelijk is uitgewezen. De zaak betreft een borgtochtsovereenkomst waarbij appellante en haar echtgenoot hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor een schuld aan Fort Advocaten N.V. Na conservatoir beslag op onroerende zaken en een verstekvonnis tot betaling, stelde appellante dat zij de borgtocht had vernietigd wegens gebrek aan toestemming en dwaling.
De voorzieningenrechter wees eerdere verzoeken tot schorsing af, waarna appellante hoger beroep instelde en tevens een incidentele vordering tot schorsing ex artikel 379 Rv Pro indiende. Het hof bevestigt dat een dergelijke vordering ook in hoger beroep kan worden ingesteld, maar dat de toetsingscriteria gelijk zijn aan die van artikel 351 Rv Pro. Schorsing is slechts gerechtvaardigd bij misbruik van executiebevoegdheid of wanneer nieuwe feiten een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen.
Het hof overweegt dat het verstekvonnis terecht is gewezen en dat de borgtocht rechtsgeldig is. Nieuwe feiten, zoals een onderhands bod op een pand, leiden niet tot misbruik van bevoegdheid. De vordering tot schorsing wordt daarom afgewezen. De beslissing over proceskosten wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis en het bestreden vonnis wordt afgewezen.