ECLI:NL:GHAMS:2011:BP2931
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over actuariële verhoging vroegpensioen bij samenloop met WAO-uitkering
De zaak betreft een geschil over de toepassing van een overgangsregeling in het pensioenreglement van PWRI, waarbij de actuariële verhoging van de vroegpensioenuitkering (VOP) na uitstel van de pensioendatum wordt toegepast op het bedrag waar de WAO-uitkering reeds van is afgetrokken. De werknemer, die recht heeft op een WAO-uitkering, betoogde dat deze regeling een verboden onderscheid maakt op grond van handicap of chronische ziekte en dat de regeling onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
De kantonrechter had de overgangsregeling buiten toepassing verklaard, maar het hof oordeelt anders. Het hof stelt vast dat het pensioenreglement een onderscheid maakt tussen deelnemers met en zonder WAO-uitkering, maar dat dit onderscheid gebaseerd is op een verschil in rechtspositie en niet leidt tot verboden discriminatie. Ook acht het hof de regeling niet onaanvaardbaar, mede gelet op de redelijke belangenafweging en de betaalbaarheid van het pensioenfonds.
Verder verwierp het hof het beroep op gerechtvaardigd vertrouwen op basis van eerdere communicatie van PWRI, omdat daarin expliciet werd vermeld dat WAO-uitkeringen niet waren meegenomen in voorbeeldberekeningen. De aanvraag van de werknemer vond bovendien plaats nadat hij een correcte berekening had ontvangen. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en wees de vorderingen van de werknemer af, met veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van de werknemer af.