ECLI:NL:GHAMS:2010:BP1509
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Vordering tot betaling geldsom uit nalatenschap afgewezen wegens verbod dwangsom bij geldvordering
In deze zaak vorderden de erfgenamen betaling van een geldsom die was vastgesteld in een eerder arrest, met een dwangsom voor het geval van niet-betaling. De voorzieningenrechter had deze vordering toegewezen en een dwangsom opgelegd.
De appellanten voerden aan dat de vordering niet ontvankelijk was omdat zij reeds tot betaling waren veroordeeld in een bodemprocedure en dat een dwangsom niet kon worden verbonden aan een geldvordering. Het hof overwoog dat herhaling van een reeds uitgesproken veroordeling in kort geding in beginsel niet aan de orde is.
Het hof stelde vast dat artikel 611a lid 1 Rv verbiedt een dwangsom te verbinden aan een veroordeling tot betaling van een geldsom. De vordering betrof een schuld aan de nalatenschap en niet teruggave van gelden aan een gemeenschappelijke boedel. Daarom was de vordering tot het verbinden van een dwangsom niet toewijsbaar.
Het hof vernietigde het vonnis van de voorzieningenrechter, wees de vordering af en veroordeelde de eisers in de kosten van het geding in beide instanties. Het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot betaling van de geldsom met dwangsom af en veroordeelt de eisers in de kosten.