ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9023
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A. Bijlsma
- A.P.M. van Rijn
- K. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake proceskostenvergoeding en schadevergoeding bij oplegging van douane-uitnodigingen tot betaling
Belanghebbende, een onderneming actief in de visserijsector, kreeg twee uitnodigingen tot betaling (UTB's) opgelegd door de inspecteur op grond van het Communautair douanewetboek. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en kende een proceskostenvergoeding van €4.000 toe, maar wees een schadevergoeding af omdat artikel 8:73 Awb Pro volgens haar geen vergoeding in de bezwaarfase toestond.
In hoger beroep bij de Douanekamer werd het oordeel van de rechtbank onderschreven dat de inspecteur een standpunt innam dat op dat moment duidelijk geen stand zou houden. Dit rechtvaardigde een hogere proceskostenvergoeding dan de forfaitaire norm. De Douanekamer verwierp de stelling van de inspecteur dat geen kostenvergoeding toekwam omdat facturen aan een rechtsvoorganger waren gericht, en oordeelde dat de kostenvergoeding terecht op €4.000 was vastgesteld.
De Douanekamer stelde echter vast dat de rechtbank onjuist had geoordeeld over de mogelijkheid tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb Pro. Omdat aan de voorwaarde van gegrondverklaring van het beroep was voldaan, vernietigde de Douanekamer dat deel van het vonnis en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor beoordeling van het schadevergoedingsverzoek.
Daarnaast veroordeelde de Douanekamer de inspecteur in de proceskosten van het hoger beroep en het griffierecht. De uitspraak biedt daarmee duidelijkheid over de toepassing van proceskostenvergoedingen en de mogelijkheid tot schadevergoeding in bestuursrechtelijke procedures omtrent douanezaken.
Uitkomst: De Douanekamer kent een hogere proceskostenvergoeding toe, vernietigt het oordeel over schadevergoeding en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere beoordeling.