ECLI:NL:GHAMS:2010:BO2134
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J.H. Lieber
- G.J. Rijken
- B.M. Mens
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over toepasselijk huwelijksvermogensrecht bij gemengd nationaliteitsverblijf
Partijen zijn in 2001 gehuwd en hebben gezamenlijk gezag over twee kinderen. De vrouw had bij het huwelijk alleen de Irakese nationaliteit en werd in 2004 genaturaliseerd tot Nederlandse. De man was in 1998 genaturaliseerd tot Nederlander, maar het is onduidelijk of hij ook de Irakese nationaliteit bezat bij het huwelijk.
De vrouw vordert echtscheiding en stelt dat het Irakese recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, terwijl de man de toepassing van Nederlands recht bepleit. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en bepaalde dat Nederlands recht van toepassing is, maar stelde de verdeling van de gemeenschap aanhoudend.
In hoger beroep staat de vraag centraal welk recht van toepassing is. Het hof verwijst naar het Verdrag van 14 maart 1978 en constateert dat zonder keuze van partijen het recht van de Staat van eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk geldt, tenzij sprake is van een gemeenschappelijke nationaliteit. Omdat onduidelijk is of de man Irakese nationaliteit had, stelt het hof hem vragen hierover en geeft de vrouw gelegenheid tot reactie.
Het hof oordeelt dat vanaf het moment dat partijen de Nederlandse nationaliteit als gemeenschappelijke nationaliteit verkregen (2004), Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime. Verdere beslissing wordt aangehouden totdat duidelijkheid is verkregen over de nationaliteit van de man ten tijde van het huwelijk.
Uitkomst: Het hof houdt de beslissing aan en stelt partijen in de gelegenheid om informatie over de nationaliteit van de man te verstrekken.