ECLI:NL:GHAMS:2010:BN9620
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A. Bijlsma
- A.P.M. van Rijn
- K. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over ondernemerschap voor omzetbelasting bij paardensportbedrijf
Belanghebbende nam in hoger beroep het standpunt in dat zij als ondernemer moest worden aangemerkt voor de omzetbelasting over de jaren 2001 tot en met 2003, omdat zij een paardensportbedrijf dreef dat levensvatbaar was en gericht op duurzame deelname aan het economische verkeer.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard omdat belanghebbende voornamelijk binnen de familiekring handelde en slechts verwaarloosbare diensten aan derden leverde. Het Hof bevestigt dit oordeel en stelt dat de objectieve gegevens onvoldoende aantonen dat belanghebbende zelfstandig economische activiteiten uitoefende. De vergoeding voor stalling, verzorging en training aan de echtgenoot bedroeg slechts 50% van de marktconforme prijs en er waren geen aanwijzingen voor marketing of acquisitie gericht op derden.
Het bedrijfsplan en het verslag van een paardensportdeskundige boden onvoldoende bewijs voor duurzaam ondernemerschap. Ook incidentele vergoedingen voor verzorging van paarden van derden werden als onvoldoende beschouwd. Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende geen ondernemer is in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en belanghebbende wordt niet als ondernemer voor de omzetbelasting aangemerkt.