ECLI:NL:GHAMS:2010:BN8830
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- G.P.M. van den Dungen
- M.L. van der Bel
- W. Duitemeijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op oude ontslagvergoeding ondanks wijziging severance policy door ABN AMRO
In deze zaak staat de vraag centraal of [X], senior manager bij ABN AMRO, aanspraak heeft op een ontslagvergoeding volgens het oude beleid dat gold tot 1 januari 2009, dan wel volgens de gewijzigde severance policy die ABN AMRO per 1 januari 2009 heeft ingevoerd. ABN AMRO had haar boventallig verklaard en bood een lagere vergoeding aan volgens de nieuwe regeling, terwijl [X] aanspraak maakte op de hogere vergoeding conform het oude beleid.
Het hof stelt vast dat ABN AMRO in november 2007 en daarna meerdere malen schriftelijk en mondeling toezeggingen heeft gedaan dat het bestaande ontslagbeleid ten minste tot oktober 2009 zou worden gehandhaafd. [X] mocht op grond van gerechtvaardigd vertrouwen op deze toezeggingen rekenen. De gewijzigde severance policy valt niet onder het wijzigingsbeding in de C&B Regulations en kan niet eenzijdig worden toegepast op de reeds gedane toezeggingen.
ABN AMRO voerde aan dat de kredietcrisis en staatsinterventie onvoorziene omstandigheden zijn die een wijziging rechtvaardigen, en dat het belang van de werkgever zwaarder weegt. Het hof oordeelt echter dat deze omstandigheden niet zodanig zijn dat [X] onredelijk wordt benadeeld, mede omdat zij aan haar verplichtingen heeft voldaan en het belang van trouw aan het gegeven woord zwaar weegt.
Het hof bevestigt het vonnis van de kantonrechters dat ABN AMRO gehouden is de hogere ontslagvergoeding van €416.065,- bruto te betalen, met wettelijke rente vanaf 1 april 2010, en verklaart dit bedrag uitvoerbaar bij voorraad. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.
Uitkomst: ABN AMRO is gehouden een ontslagvergoeding van €416.065,- bruto aan [X] te betalen volgens het oude beleid, ondanks de gewijzigde severance policy.