ECLI:NL:GHAMS:2010:BM6742
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot vernietiging aandelenleaseovereenkomst door echtgenoot verjaard
In deze zaak ging het om de vraag of de echtgenote van de contractspartij bevoegd was de aandelenleaseovereenkomst te vernietigen wegens het ontbreken van haar toestemming zoals vereist volgens artikel 1:88 BW Pro. De echtgenote had de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd en vorderde terugbetaling van de betaalde termijnen.
Het hof stelde vast dat de leaseovereenkomst in februari 1998 was aangegaan en dat de echtgenote vanaf dat moment door betaling van termijnen vanaf een gezamenlijke en/of-bankrekening met het bestaan van de overeenkomst bekend kon zijn. De verjaringstermijn van drie jaar voor de bevoegdheid tot vernietiging was daardoor reeds verstreken toen zij in 2005 de vernietiging probeerde uit te oefenen.
De echtgenote voerde aan dat zij geen kennis had genomen van de bankafschriften en pas in 2005 van de overeenkomst had vernomen. Het hof achtte deze stelling ongeloofwaardig omdat de afschriften mede aan haar waren gericht en zij geen concrete omstandigheden had aangevoerd die haar onbekendheid konden onderbouwen.
Daarom werd geoordeeld dat de bevoegdheid tot vernietiging was verjaard en dat de vordering tot terugbetaling van betaalde termijnen moest worden afgewezen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de echtgenote in de proceskosten.
Uitkomst: De bevoegdheid tot vernietiging van de aandelenleaseovereenkomst door de echtgenote was verjaard, waardoor haar vordering werd afgewezen.