ECLI:NL:GHAMS:2010:BL4236
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- E.E. Van Tuyll van Serooskerken-Röell
- M.A. Goslings
- A.R. Sturhoofd
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vordering OPTA inzake onjuiste uitlatingen callcentermedewerkers Pretium
In deze zaak staat centraal de vordering van OPTA tegen Pretium Telecom B.V. dat zich, direct en via callcentermedewerkers, zou moeten onthouden van onjuiste uitlatingen over de rol van OPTA bij het aanbieden van diensten en het vaststellen van tarieven. Na een uitzending van Radar in september 2008 waarin een callcentermedewerker onjuiste uitspraken deed over OPTA, heeft OPTA Pretium gesommeerd dergelijke uitlatingen te staken. Pretium heeft bevestigd dat sinds 28 maart 2009 het callscript geen verwijzingen naar OPTA meer bevat en dat het callcenter dat de onjuiste uitlatingen veroorzaakte, is vervangen.
OPTA stelde dat callcentermedewerkers nog steeds onjuiste verwijzingen maakten, onder meer in een uitzending van Kassa in april 2009. Het hof oordeelt dat OPTA onvoldoende bewijs heeft geleverd dat na 28 maart 2009 nog onjuiste verwijzingen zijn gedaan. De aangehaalde citaten uit het ambtsbericht van de Consumentenautoriteit zijn onvoldoende concreet en kunnen niet als bewijs dienen. Ook is niet aannemelijk dat de uitlatingen misleidend zijn zonder de context van de gesprekken.
De voorzieningenrechter had de vordering van OPTA toegewezen, maar het hof vernietigt dit vonnis en wijst de vordering af. De reconventionele vorderingen van Pretium worden grotendeels bekrachtigd, behalve de eis tot niet-publicatie van het vonnis, die wordt afgewezen omdat het vonnis al ongeanonimiseerd is gepubliceerd. De persberichten van OPTA worden niet onrechtmatig bevonden. OPTA wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van OPTA af en bekrachtigt het vonnis in reconventie, met veroordeling van OPTA in proceskosten.