ECLI:NL:GHAMS:2010:BL0879

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.041.863-01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:153 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling pensioenverweer en begunstigingswijziging bij echtscheiding buiten gemeenschap van goederen

Partijen zijn in 1981 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met een Amsterdams verrekenbeding. De man heeft levensverzekeringen afgesloten waarbij aanvankelijk de vrouw als begunstigde was vermeld. Na het echtscheidingsverzoek heeft de man de begunstiging gewijzigd ten gunste van zijn huidige partner.

De vrouw kwam in hoger beroep tegen de beschikking die de echtscheiding uitsprak en voerde aan dat haar bestaand vooruitzicht op uitkeringen uit de levensverzekeringen door de echtscheiding verloren zou gaan, zonder dat de man een billijke voorziening had getroffen. Zij stelde tevens dat de wijziging van de begunstiging onrechtmatig en te kwader trouw was.

Het hof oordeelde dat het verlies van het vooruitzicht op uitkeringen niet het gevolg was van de echtscheiding, maar van de wijziging van de begunstiging door de man. Omdat partijen buiten gemeenschap van goederen waren gehuwd, kon de vrouw geen beroep doen op artikel 1:153 BW Pro. Daarnaast bood de man aan de helft van de waarde van de polissen contant af te rekenen, wat het hof als een voldoende voorziening beschouwde.

De vrouw had nagelaten te stellen dat deze voorziening onvoldoende was. Het hof bevestigde daarom de echtscheiding en wees het beroep van de vrouw af. De vraag of de wijziging van begunstiging onrechtmatig was, werd buiten beschouwing gelaten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de echtscheiding en wijst het beroep van de vrouw af wegens ontbreken van een beroep op artikel 1:153 BW.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER
BESCHIKKING van 26 januari 2010 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.041.863/01 van:
[…],
wonende te […],
APPELLANTE ,
advocaat: mr. J.J.M. van Lint te Sassenheim, gemeente Teylingen,
t e g e n
[…],
wonende te […],
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. N. Grijmans-Veenendaal te Amsterdam.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.
1.2. De vrouw is op 2 september 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 3 juni 2009 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk 407149 / FA RK 08-6946.
1.3. De man heeft op 6 oktober 2009 een verweerschrift ingediend.
1.4. De zaak is op 5 november 2009 ter terechtzitting behandeld.
1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de advocaat van de vrouw;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2. De feiten
2.1. Partijen zijn [in] 1981 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd. In artikel 6 van Pro de huwelijkse voorwaarden zijn partijen een zogenaamd Amsterdams verrekenbeding overeengekomen.
2.2. De man is verzekeringnemer ten aanzien van de volgende levensverzekeringen:
- verzekering bij [naam maatschappij A] met polisnummer 1300777;
- verzekering bij [naam maatschappij A] met polisnummer 8715195.000;
- verzekering bij [naam maatschappij B] met polisnummer 40.00.1425;
- verzekering bij [naam maatschappij C] met polisnummer 9588380;
- verzekering bij [naam maatschappij D] met polisnummer 726151/02.
3. Het geschil in hoger beroep
3.1. Bij de bestreden beschikking is, op verzoek van de man, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
3.2. De vrouw verzoekt primair de bestreden beschikking te vernietigen, en subsidiair de man te bevelen alsnog een voorziening als bedoeld in artikel 1:153 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) te treffen.
3.3. De man verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1. Ter beoordeling ligt voor de vraag of de vrouw een beroep op het bepaalde in artikel 1:153 lid 1 BW Pro toekomt, zo ja, of dat beroep gegrond is.
4.2. De vrouw stelt dat toewijzing van het echtscheidingsverzoek ertoe leidt dat haar bestaand vooruitzicht op uitkeringen uit hoofde van de door de man afgesloten levensverzekeringen na vooroverlijden van de man teloorgaat. Ter opheffing van de nadelige gevolgen van dit teloorgaan, is door de man geen billijke voorziening getroffen. De vrouw voert aan dat zij zelf over onvoldoende middelen beschikt om een behoorlijke voorziening te treffen. Bovendien, zo stelt de vrouw, heeft de man kort nadat zij het pensioenverweer heeft gevoerd de begunstiging van de verzekeringen gewijzigd, als gevolg waarvan niet langer de vrouw maar de huidige partner van de man de begunstigde is. Deze wijziging dient als onrechtmatig en te kwader trouw beschouwd te worden, aldus de vrouw.
4.3. De man heeft het standpunt van de vrouw gemotiveerd bestreden. Hij stelt dat artikel 1:153 BW Pro toepassing mist, aangezien partijen buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd en de vrouw daarom geen aanspraak kan maken op enige uitkering ingevolge de bestaande polissen. Voorts betoogt de man dat redelijkerwijs te verwachten is dat de vrouw zelf voldoende voorzieningen kan treffen, omdat zij in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden op grond van het Amsterdams verrekenbeding aanspraak maakt op te verrekenen vermogen.
4.4. Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn buiten gemeenschap van goederen gehuwd. De betreffende levensverzekeringen zijn uitsluitend door de man afgesloten en het is aan hem te bepalen wie ter zake de begunstigden zijn. De ontbinding van het huwelijk heeft daarop geen invloed. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat aanvankelijk de vrouw als eerste begunstigde op (het merendeel van) de polissen was vermeld, maar dat de man inmiddels zijn huidige partner als begunstigde heeft aangewezen. Zou dat laatste niet zijn gebeurd, dan was de vrouw ook na de ontbinding van het huwelijk begunstigde gebleven. Derhalve is het bestaand vooruitzicht van de vrouw op uitkeringen na vooroverlijden van de man niet als gevolg van de echtscheiding, zoals in artikel 1:153 lid 1 BW Pro is vermeld, teloor gegaan, maar door toedoen van de man. Een beroep op die bepaling komt de vrouw daarom in het onderhavige geval niet toe.
4.5. Ook als de vrouw een dergelijk beroep wel zou toekomen, moet worden geoordeeld dat haar verzoek in hoger beroep niet voor toewijzing in aanmerking komt. De man heeft met juistheid gesteld dat de vrouw in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden op grond van het Amsterdams verrekenbeding aanspraak heeft op de helft van de waarde van de polissen. Ter zitting heeft de man aangeboden de helft van de waarde van voornoemde polissen contant met de vrouw af te rekenen. Omdat de vrouw heeft nagelaten gespecificeerd te stellen dat deze voorziening in verhouding tot het teloor gegane vooruitzicht op een uitkering onvoldoende was, hetgeen wel op haar weg had gelegen, komt het aanbod van de man het hof voor als voldoende voorziening in de zin van artikel 1:153 lid 2 sub a BW Pro. De vraag of een billijke voorziening door de man dient te worden getroffen, dient naar het oordeel van het hof ontkennend te worden beantwoord.
4.6. Gelet op het voorgaande en nu de vrouw de duurzame ontwrichting van het huwelijk niet betwist, is het verzoek tot echtscheiding toewijsbaar.
4.7. De vraag of de man door wijziging van de begunstiging onrechtmatig jegens de vrouw heeft gehandeld, valt buiten het bestek van deze procedure en behoeft overigens, gelet op het vorenstaande, geen verdere bespreking.
4.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.
5. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.L Diender, A. van Haeringen en J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van
mr. R.M. van Diepen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2010.