ECLI:NL:GHAMS:2009:BL8949
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Betaling van advocaatfacturen na intrekking toevoeging door Raad voor Rechtsbijstand
In deze civiele zaak vordert appellant [D], een advocaat, betaling van zijn facturen door geïntimeerde [M] nadat de Raad voor Rechtsbijstand de toevoeging voor rechtsbijstand had ingetrokken. De toevoeging was verleend voor een procedure betreffende de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden en partneralimentatie tussen [M] en diens ex-echtgenote.
De Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam had op 6 juni 2008 een voornemen tot intrekking van de toevoeging kenbaar gemaakt, waarna op 3 juli 2008 het besluit tot intrekking definitief werd genomen. Tegen dit besluit werd geen bezwaar gemaakt, waardoor het onherroepelijk werd. De rechtbank had de vordering van [D] afgewezen omdat zij meende dat de intrekking niet definitief was en een resultaatsbeoordeling nog zou plaatsvinden.
Het hof oordeelt echter dat de intrekking definitief is en dat de vordering van [D] tot betaling van zijn facturen opeisbaar is geworden vanaf 14 augustus 2008, zes weken na het besluit van 3 juli 2008. Het hof wijst de vordering toe, vermindert de gevorderde rente en wijst buitengerechtelijke kosten en beslagkosten af wegens prematuriteit. [M] wordt veroordeeld tot betaling van € 12.011,95 plus wettelijke rente en in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof veroordeelt [M] tot betaling van € 12.011,95 aan [D] plus wettelijke rente vanaf 14 augustus 2008.