ECLI:NL:GHAMS:2009:BL8484
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake huurgeschil cafépand met vordering schadevergoeding afgewezen
In deze zaak stond een huurgeschil omtrent een cafépand centraal, waarbij appellanten, als rechtsopvolgers van de oorspronkelijke huurder, Bergerac c.s. aansprakelijk stelden voor schadevergoeding. De oorspronkelijke huurovereenkomst dateerde uit 1991, met een optieperiode van vijf jaar. Na het overlijden van de oorspronkelijke huurder in 1995 ontstond onduidelijkheid over de huurrelaties en onderhuur.
Appellanten stelden dat Bergerac c.s. hen vanaf december 1999 onrechtmatig het genot van het pand had onthouden, waardoor Erlu en Sabofra schade hadden geleden. Zij baseerden hun vorderingen mede op eerdere arresten van het hof Amsterdam uit 2005 en 2006. Het hof oordeelde echter dat deze arresten geen bindende kracht hadden voor Erlu en Sabofra, omdat zij geen partij waren in die procedures.
Verder wees het hof erop dat eerdere uitspraken hadden vastgesteld dat er geen huurovereenkomst tussen Erlu en Bergerac c.s. bestond, waardoor de vorderingen van Erlu op huurbasis niet toewijsbaar waren. Ook de onrechtmatigheidsvorderingen waren onvoldoende onderbouwd. Voor Sabofra was onvoldoende gesteld dat zij een huurovereenkomst had met Bergerac c.s. en ook haar vorderingen waren onvoldoende gemotiveerd.
Daarom faalden de grieven van appellanten en werden de vonnissen van de kantonrechter bekrachtigd. Appellanten werden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter en wijst de vorderingen tot schadevergoeding af.