ECLI:NL:GHAMS:2009:BK7595
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.G. Kemmers
- G.J. Driessen-Poortvliet
- H.L.L. Neervoort-Briët
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid verzoek tot nihilstelling partneralimentatie na echtscheiding
Partijen zijn in 1990 gehuwd en zijn huwelijk is in 1999 ontbonden. Bij echtscheidingsconvenant is bepaald dat de vrouw een uitkering tot levensonderhoud aan de man betaalt. De vrouw verzocht de uitkering per 2 december 2008 op nihil te stellen, wat door de rechtbank werd toegestaan. De man kwam hiertegen in hoger beroep en stelde dat het convenant als vaststellingsovereenkomst moet worden beschouwd, waardoor wijziging niet mogelijk zou zijn.
Het hof oordeelt dat een echtscheidingsconvenant niet automatisch een vaststellingsovereenkomst is en dat het convenant moet worden uitgelegd volgens de Haviltex-maatstaf, waarbij gekeken wordt naar de redelijke verwachtingen van partijen. Uit correspondentie blijkt dat ook de man de uitkering als partneralimentatie beschouwde. Omdat het convenant geen niet-wijzigingsbeding bevat, is de vrouw ontvankelijk in haar verzoek tot wijziging op grond van gewijzigde omstandigheden.
De stelling van de man dat schulden uit het huwelijk een ander oordeel rechtvaardigen, wordt verworpen omdat die niet relevant zijn voor het geschil. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het hoger beroep van de man af.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de man af en bekrachtigt de beschikking tot nihilstelling van de partneralimentatie.