ECLI:NL:GHAMS:2009:BK1918
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M. Wigleven
- R.G. Kemmers
- J.E. Doek
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid hoger beroep tegen voorlopige voorziening in echtscheidingsprocedure
In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de man tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin een voorlopige voorziening is getroffen. De rechtbank had bepaald dat de man vanaf 1 april 2006 een maandelijkse uitkering van €4.500 aan de vrouw moest betalen als levensonderhoud, terwijl de vrouw een hoger bedrag had gevorderd.
De man betoogde dat hij ontvankelijk was in het hoger beroep omdat de rechtbank met de terugwerkende kracht van de voorlopige voorziening buiten het toepassingsgebied van artikel 822 lid 2 Rv Pro was getreden. Volgens het hof is de terugwerkende kracht van een voorlopige voorziening beperkt tot maximaal vier weken voorafgaand aan de indiening van het echtscheidingsverzoek, conform de wetsgeschiedenis en de tekst van artikel 821 lid 4 Rv Pro.
Het hof oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een aanvangsdatum meer dan drie jaar voor de beschikking had vastgesteld, waardoor het appelverbod van artikel 824 lid 1 Rv Pro doorbroken moest worden. Daarom verklaarde het hof het hoger beroep ontvankelijk en hield de behandeling van de zaak aan met het bevel tot oproeping van partijen voor een nieuwe zitting.
De vrouw had aangevoerd dat de rechter discretionaire bevoegdheid heeft bij het bepalen van de aanvangsdatum en dat het appelverbod niet doorbroken zou worden bij een onjuiste toepassing van artikel 822 lid 2 Rv Pro, maar het hof volgde dit niet.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de man ontvankelijk en houdt de zaak aan voor verdere behandeling.