ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ6979
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep wegens gebruik niet op naam gesteld reisdocument en taalbarrière in strafproces
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk gebruik van een niet op zijn naam gesteld reisdocument bij de grenscontrole op Schiphol. Tijdens het opsporingsonderzoek en de terechtzittingen was er sprake van een taalbarrière doordat de verdachte slechts gebrekkig Frans sprak en geen tolk voor de Comorese taal beschikbaar was. De communicatie vond plaats met behulp van een Franse tolk en telefonische bijstand van een Comorese politieagent.
De raadsman van de verdachte voerde verweer dat dit taalprobleem een schending van het recht op een eerlijk proces betekende en dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden. Het hof oordeelde echter dat de bijstand toereikend was en dat de verdachte voldoende gelegenheid had gehad zich te verdedigen. Er was geen sprake van ernstige inbreuk op de procesorde of schending van internationale verdragsbepalingen.
Het hof verklaarde het bewezen dat de verdachte het reisdocument bewust gebruikte om zijn identiteit te verhullen en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rest van de tenlastelegging werd niet bewezen verklaard en de verdachte werd daarvan vrijgesproken. Tevens werden bepaalde inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard en andere teruggegeven.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf, waarvan 1 maand voorwaardelijk, wegens opzettelijk gebruik van een niet op zijn naam gesteld reisdocument.