ECLI:NL:GHAMS:2009:BI8838
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- O.B. Onnes
- W.M.G. Visser
- I.J.F.A. van Vijfeijken
- Rechtspraak.nl
Betaling tussen broers na nalatenschapsverdeling geen natuurlijke verbintenis voor vrijstelling Successiewet
In deze zaak stond centraal of een betaling van €47.241 door de ene broer aan de andere na veertien jaar een natuurlijke verbintenis vormde, zodat deze vrijgesteld zou zijn van schenkingsrecht op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel 12, van de Successiewet 1956. De betaling volgde op een gevoelde onrechtvaardigheid in de verdeling van de nalatenschap van hun vader, die in 1990 bij notariële akte was verdeeld.
De rechtbank had geoordeeld dat geen sprake was van een natuurlijke verbintenis, omdat partijen destijds de verdeling als juist beschouwden en de maatschappelijke opvattingen niet meebrachten dat de betaling een rechtens niet afdwingbare, maar moreel dringende verplichting was. Het Hof bevestigde deze beoordeling na een inhoudelijke toetsing van de feiten en de juridische criteria.
Het Hof benadrukte dat de subjectieve gevoelens van de broer niet doorslaggevend zijn; het gaat om een objectieve maatstaf van maatschappelijke opvattingen. De akte van scheiding en deling was duidelijk en partijen hadden afgesproken elkaar niet tot nadere deling aan te spreken. De waardestijging van de woning en de latere betaling konden niet leiden tot een andere conclusie. Daarom werd de aanslag schenkingsrecht gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de betaling van €47.241 geen natuurlijke verbintenis is en handhaaft de aanslag schenkingsrecht.