ECLI:NL:GHAMS:2009:BI2660
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M.M.A. Gerritzen-Gunst
- R.G. Kemmers
- S.F.M. Wortmann
- Rechtspraak.nl
Verrekening van vermogen en huuropbrengsten bij afwikkeling huwelijkse voorwaarden na echtscheiding
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden zonder gemeenschap van goederen en zijn in 2005 feitelijk gescheiden. De man was eigenaar van een woning ([pand 1]) die in 1998 werd verkocht, waarna met de opbrengst en een lening een nieuwe woning ([pand 2]) werd gekocht op naam van beiden. Na verkoop van [pand 2] ontstond discussie over de verdeling van de opbrengst en de verrekening van vermogen.
De vrouw stelde dat het vermogen gemeenschappelijk was en dat de opbrengst van [pand 2] gelijkelijk moest worden verdeeld. Het hof oordeelde dat door gezamenlijke eigendom van [pand 2] een beperkte gemeenschap ontstond, waardoor de waardevermeerdering gelijkelijk verdeeld moet worden, met aftrek van de investering van de man. De huuropbrengsten van [pand 1] werden niet als inkomsten uit arbeid beschouwd en vallen niet onder de verrekenverplichting.
Verder werd vastgesteld dat de vrouw recht heeft op terugbetaling van een bedrag aan spaarloon dat zij in [pand 1] had geïnvesteerd. De man werd veroordeeld dit bedrag met wettelijke rente te betalen. Andere vorderingen van de vrouw, waaronder over spaargeld en auto, werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De beschikking van de rechtbank werd deels vernietigd en deels bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof veroordeelt de man tot betaling van € 20.018 aan de vrouw en wijst andere vorderingen af.