ECLI:NL:GHAMS:2009:BG9463
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over buiten beschouwing laten ten onrechte ontvangen Wwb-uitkering in belastbaar inkomen 2004
Belanghebbende ontving in 2004 een Wwb-uitkering die later als ten onrechte ontvangen werd aangemerkt, waarna hij deze in 2005 aan de gemeente terugbetaalde. De inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting op waarin deze uitkering werd meegenomen in het belastbaar inkomen 2004. De rechtbank verklaarde het beroep grotendeels ongegrond, met name omdat de hardheidsclausule niet van toepassing zou zijn.
In hoger beroep oordeelt het Hof anders. Het stelt vast dat het Besluit van 5 juli 2001, waarin de staatssecretaris van Financiën goedkeuring geeft om in bona fide gevallen ten onrechte genoten loon buiten beschouwing te laten indien aan voorwaarden wordt voldaan, van toepassing is. Het Hof acht de voorwaarden vervuld en wijst de inspecteur af die stelde dat het recht op uitkering pas in 2005 werd ingetrokken en dat het om facultatieve besluiten ging.
Het Hof benadrukt dat het Besluit bedoeld is om belastingheffing aan te laten sluiten bij de materiële situatie, ook als de terugbetaling in een ander jaar plaatsvindt dan het jaar van ontvangst. Tevens overweegt het Hof dat het Besluit ook geldt voor inkomensafhankelijke regelingen die aansluiten bij de heffingsgrondslag. Het Hof vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het gaat om de aanslag en vermindert het belastbaar inkomen tot €12.224. Daarnaast veroordeelt het Hof de Staat tot vergoeding van griffierechten en proceskosten.
Uitkomst: Het Hof vermindert het belastbaar inkomen door de Wwb-uitkering buiten beschouwing te laten en veroordeelt de Staat tot vergoeding van griffierechten en proceskosten.