ECLI:NL:GHAMS:2008:BJ4486
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- C.G. Kleene-Eijk
- G.J. Driessen Poortvliet
- J.E. Geuzinge
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsmacht en aanhouding bij litispendentie in echtscheidingszaak met buitenlandse procedure
Partijen zijn in Kenia gehuwd en hebben een dochter. De vrouw woont sinds 2002 in Nederland en heeft de Keniaanse nationaliteit, de man is Nederlander. De vrouw diende in 2004 een verzoek tot echtscheiding in Nederland in, terwijl de man in 2004 een echtscheidingsprocedure in Kenia startte die in 2005 leidde tot een uitspraak. De vrouw stelde dat de Keniaanse procedure niet rechtsgeldig was vanwege vervalste stukken en dat de Nederlandse rechter daarom rechtsmacht had.
Het hof oordeelde dat de vrouw sinds ten minste een jaar voor het verzoek haar gewone verblijfplaats in Nederland had, waardoor de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-bis rechtsmacht heeft. De vrouw kon echter niet aannemelijk maken dat de Keniaanse procedure haar procesbelangen schaadde of dat de procedure op vervalste stukken was gebaseerd. De Keniaanse procedure was nog aanhangig vanwege het door de vrouw ingestelde verzet.
Het hof stelde vast dat er geen verdrag is tussen Nederland en Kenia over rechtsmacht bij echtscheiding en dat artikel 12 WvRv Pro van toepassing is. De Nederlandse rechter kan de zaak aanhouden bij litispendentie, maar het hof zag geen reden dit te doen omdat de vrouw in Kenia goede procesvertegenwoordiging had en er uitzicht was op een beslissing. De rechtbank had de vrouw terecht niet-ontvankelijk verklaard, en het hof bekrachtigde deze beschikking.
Uitkomst: De vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot echtscheiding en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.