ECLI:NL:GHAMS:2008:BJ4486

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.003.609/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.G. Kleene-Eijk
  • G.J. Driessen Poortvliet
  • J.E. Geuzinge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 onder a Verordening (EG) nr. 2201/2003Art. 12 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtsmacht en aanhouding bij litispendentie in echtscheidingszaak met buitenlandse procedure

Partijen zijn in Kenia gehuwd en hebben een dochter. De vrouw woont sinds 2002 in Nederland en heeft de Keniaanse nationaliteit, de man is Nederlander. De vrouw diende in 2004 een verzoek tot echtscheiding in Nederland in, terwijl de man in 2004 een echtscheidingsprocedure in Kenia startte die in 2005 leidde tot een uitspraak. De vrouw stelde dat de Keniaanse procedure niet rechtsgeldig was vanwege vervalste stukken en dat de Nederlandse rechter daarom rechtsmacht had.

Het hof oordeelde dat de vrouw sinds ten minste een jaar voor het verzoek haar gewone verblijfplaats in Nederland had, waardoor de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-bis rechtsmacht heeft. De vrouw kon echter niet aannemelijk maken dat de Keniaanse procedure haar procesbelangen schaadde of dat de procedure op vervalste stukken was gebaseerd. De Keniaanse procedure was nog aanhangig vanwege het door de vrouw ingestelde verzet.

Het hof stelde vast dat er geen verdrag is tussen Nederland en Kenia over rechtsmacht bij echtscheiding en dat artikel 12 WvRv Pro van toepassing is. De Nederlandse rechter kan de zaak aanhouden bij litispendentie, maar het hof zag geen reden dit te doen omdat de vrouw in Kenia goede procesvertegenwoordiging had en er uitzicht was op een beslissing. De rechtbank had de vrouw terecht niet-ontvankelijk verklaard, en het hof bekrachtigde deze beschikking.

Uitkomst: De vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot echtscheiding en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER
BESCHIKKING van 9 september 2008 in de zaak met landelijk zaaknummer […] van:
[…],
wonende te [woonplaats],
APPELLANTE,
procureur: mr. Th. Gardenbroek,
t e g e n
[…],
wonende in […],
GEÏNTIMEERDE,
procureur: mr. D. de Jong.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.
1.2. De vrouw is op 17 maart 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 december 2007 van de rechtbank te Haarlem, met kenmerk […]. Op 18 maart 2008 heeft zij een aanvullend appelschrift ingediend.
1.3. De man heeft op 14 mei 2008 een verweerschrift ingediend.
1.4. Van de zijde van de vrouw zijn op 25 juni 2008 nadere stukken ontvangen. De man heeft op 27 juni 2008 een verweerschrift tegen het aanvullend appelschrift en nadere stukken ingediend.
1.5. De zaak is op 3 juli 2008 ter terechtzitting behandeld.
1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. P. van de Kolk te Haarlem;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. M.R.H. Meijer te St. Odiliënberg;
- mevrouw H.G. Touber-Neecke te Lelystad, tolk in de Engelse taal.
2. De feiten
2.1. Partijen zijn op 23 december 1992 te Mombasa, Kenia gehuwd. Uit hun huwelijk is geboren [dochter] op [datum] te Mombasa, Kenia.
De vrouw heeft sinds 6 augustus 2002 haar verblijfplaats in Nederland. Zij heeft de Keniaanse nationaliteit.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.2. Op 10 september 2004 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank te Haarlem ingediend.
2.3. De echtscheiding is op 17 mei 2005 door het High Court of Kenya te Mombasa uitgesproken. De vrouw heeft op
12 augustus 2005 verzet tegen deze uitspraak ingesteld.
3. Het geschil in hoger beroep
3.1. Bij de bestreden beschikking is de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar inleidend verzoek.
3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, te bepalen dat de vrouw het eenhoofdig gezag over [dochter] zal hebben, te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] zal betalen van € 400,- per maand, alsmede een door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw vast te stellen van € 600,- per maand.
3.3. De man verzoekt de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar grieven ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1. De vrouw stelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 3 lid 1 onder Pro a Verordening (EG)
nr. 2201/2003 ( Brussel II-bis) rechtsmacht, daar zij ten minste zes maanden voorafgaand aan het echtscheidingsverzoek haar gewone verblijfplaats in Nederland had. De procedure in Kenia, voor zover die al aanhangig zou zijn, staat aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet in de weg, omdat deze procedure met vervalste stukken aanhangig is gemaakt en derhalve niet rechtsgeldig is. Voor zover de procedure in Kenia wel rechtsgeldig aanhangig is gemaakt, staat dit de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet in de weg op basis van artikel 12 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (WvRv), aldus de vrouw.
De man heeft het standpunt van de vrouw bestreden en hiertoe aangevoerd dat in Kenia wel degelijk sprake is van een rechtsgeldige echtscheidingsprocedure. De man stelt dat de Nederlandse rechter de zaak weliswaar kan aanhouden, maar dat hij zich onbevoegd dient te verklaren zodra de Keniaanse rechter een uitspraak heeft gedaan.
4.2. Het hof oordeelt als volgt. De vrouw heeft sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van haar verzoek haar gewone verblijfplaats in Nederland, zodat de Nederlandse rechter in beginsel ingevolge het bepaalde in artikel 3 lid 1 onder Pro a Brussel II bis rechtsmacht heeft. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de Keniaanse rechter op 17 maart 2005 tussen partijen de echtscheiding heeft uitgesproken, dat de vrouw daartegen op 12 augustus 2005 verzet heeft ingesteld, en dat de vrouw vervolgens naar aanleiding van dat verzet in de gelegenheid is gesteld om op 19 april 2006 een verweerschrift in te dienen en dat ook daadwerkelijk daar een door haar aldaar ingeschakelde advocaat heeft laten doen. Naar het oordeel van het hof is het in dat licht bezien niet aannemelijk dat de vrouw door de procedure in Kenia in haar processuele belangen is geschaad, terwijl evenmin is komen vast te staan dat de echtscheiding op basis van vervalste stukken is uitgesproken. In dat verband wordt overwogen dat, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, het op de weg van de vrouw had gelegen deze stelling nader te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten. De stelling van de vrouw dat de procedure in Kenia aanhangig is gemaakt nadat zij haar verzoek bij de rechtbank te Haarlem had ingediend, acht het hof onjuist nu uit de overgelegde stukken blijkt dat haar verzoekschrift op 10 september 2004 is ingediend en het verzoek van de man tot echtscheiding op 22 maart 2004 is ingediend bij de Keniaanse rechter.
Daar tussen Nederland en Kenia geen verdrag of verordening van kracht is betreffende de rechtsmacht ten aanzien van echtscheiding wordt de vraag of de Nederlandse rechter in geval van litispendentie rechtsmacht heeft, beantwoord op grond van het bepaalde in artikel 12 WvRv Pro. De Nederlandse rechter kan op basis van deze bepaling de zaak aanhouden totdat daarin door de Keniaanse rechter is beslist, doch het hof ziet daartoe in het onderhavige geval geen aanleiding. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. De vrouw heeft de Keniaanse nationaliteit en heeft tot medio 2002 haar woonplaats in Kenia gehad. Gelet op het feit dat namens de vrouw in Kenia een verweerschrift is ingediend naar aanleiding van het door haar ingestelde verzet tegen de uitgesproken echtscheiding heeft het hof geen reden te veronderstellen dat zij in Kenia geen goede procesvertegenwoordiging heeft. Anders dan de vrouw stelt is niet komen vast te staan dat er geen uitzicht bestaat op een beslissing in de procedure in Kenia. Zodra deze uitspraak er is, is deze voor erkenning vatbaar in Nederland. Gelet op het vorenoverwogene heeft de vrouw geen belang bij haar verzoek en heeft de rechtbank haar terecht, zij het op andere gronden niet-ontvankelijk verklaard in haar inleidend verzoek. De beschikking waarvan beroep zal dan ook worden bekrachtigd.
5. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. Kleene-Eijk, G.J. Driessen Poortvliet en J.E. Geuzinge in tegenwoordigheid van mr. B.J. Schutte als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2008.