ECLI:NL:GHAMS:2008:BI3138
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M.A. Goslings
- D.J. van der Kwaak
- A.R. van de Veen
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatig verzwijgen van bod bij verzoek tot onderhandse executoriale verkoop
In deze zaak stond centraal of de bank onrechtmatig heeft gehandeld door het bod van appellant niet te vermelden bij haar verzoek tot onderhandse executoriale verkoop van een onroerende zaak. Appellant had een bod uitgebracht van 1.000 gulden meer dan het hoogste andere bod, met een minimum en maximum bedrag, en dit bod was niet meegestuurd bij het verzoek tot verkoop. De bank voerde aan dat het bod ondeugdelijk was en niet hoefde te worden overgelegd.
Het hof stelde vast dat artikel 548 lid 2 Rv Pro een dwingende bepaling is die vereist dat alle biedingen bij het verzoek worden overgelegd, ongeacht de beoordeling van de bank over de geldigheid van het bod. Het bod van appellant was voldoende bepaalbaar omdat er ook andere concrete biedingen waren. De bank had dus onrechtmatig gehandeld door het bod te verzwijgen.
Appellant had voldoende belang bij zijn vordering tot verklaring voor recht omdat hiermee de mogelijkheid tot schadevergoeding openbleef. De vordering van appellant werd toegewezen, terwijl de vordering namens een andere partij werd afgewezen omdat deze geen partij was in het geding. De bank werd veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.
Uitkomst: De bank heeft onrechtmatig gehandeld door het bod van appellant te verzwijgen bij het verzoek tot onderhandse executoriale verkoop.