ECLI:NL:GHAMS:2008:BH8891
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.J.M. Smit
- D.J. van der Kwaak
- A.R. van de Veen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot voeging en tussenkomst in hoger beroep wegens ontbreken rechtens te respecteren belang
In deze zaak heeft [Y] hoger beroep ingesteld tegen vonnissen van de kantonrechter waarin Stichting Organisatie Voortgezet Onderwijs [plaats] (SOVOH) als gedaagde was genoemd. SOVOH is echter drie dagen na de dagvaarding opgegaan in Stichting [X], die als rechtsopvolger in de procedure is opgetreden.
Hoewel [Y] de dagvaarding in hoger beroep aan SOVOH heeft betekend, was het voor [Y] duidelijk dat SOVOH niet meer bestond en dat de vordering tegen [X] had moeten worden ingesteld. Stichting [X] heeft op de eerste zittingsdag in hoger beroep een incidentele vordering tot voeging of tussenkomst ingediend om zich te kunnen verweren, maar het hof oordeelt dat [X] geen rechtens te respecteren belang heeft bij deze vordering.
Het hof stelt dat het hoger beroep in beginsel tegen de rechtsopvolger moet worden ingesteld en dat een uitzondering daarop alleen geldt als de partij die het rechtsmiddel instelt niet wist of behoefde te weten van de rechtsopvolging. Dit was hier niet het geval. Het hof wijst de vordering van [X] af en veroordeelt haar in de kosten van het incident. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor dagbepaling arrest.
Uitkomst: De vordering van Stichting [X] tot voeging en tussenkomst wordt afgewezen wegens ontbreken van een rechtens te respecteren belang.