ECLI:NL:GHAMS:2008:BH4147
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.J.M. Smit
- D.J. van der Kwaak
- A.R. van de Veen
- Rechtspraak.nl
Verjaring vordering asbestschade niet-werknemer na veertig jaar niet doorbroken
De zaak betreft een vordering van [Y], een voormalig stellingbouwer, tegen [Z] B.V. wegens asbestschade die hij opliep tijdens werkzaamheden tussen 1951 en 1967. Na diagnose van een lichte vorm van asbestose in 2004 stelde [Y] [Z] aansprakelijk en vorderde schadevergoeding. De rechtbank wees de vordering af wegens verjaring.
In hoger beroep stond centraal of de absolute verjaringstermijn van dertig jaar, zoals neergelegd in artikel 3:310 lid 2 BW Pro, buiten toepassing kon blijven vanwege de lange latentietijd van asbestschade. Het hof bevestigde dat deze termijn in uitzonderlijke gevallen kan worden doorbroken, maar dat dit alleen geldt als de schade pas na het verstrijken van de termijn kon worden geconstateerd en er sprake is van onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
Het hof oordeelde dat hoewel de asbestschade pas na lange tijd werd vastgesteld, [Y] niet binnen een redelijke termijn na het aan het licht komen van de schade een vordering heeft ingesteld. De vertraging in aansprakelijkstelling en het instellen van de vordering was te lang, waardoor de verjaringstermijn niet doorbroken werd. De belangenafweging van verschillende gezichtspunten leidde tot de conclusie dat de verjaringstermijn van toepassing blijft en de vordering verjaard is.
Het hoger beroep werd afgewezen en [Y] werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering wegens asbestschade is verjaard en wordt afgewezen.