ECLI:NL:GHAMS:2008:BG8817

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
23-005720-07
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet ontvankelijk verklaring OM in vordering gevangenhouding na eerdere voorlopige hechtenis

De verdachte was sinds 21 september 2008 gedetineerd op basis van een bevel tot bewaring dat was gegeven tijdens het vooronderzoek en voorafgaand aan de berechting in eerste aanleg. Dit bevel was eerder geschorst en later opgeheven vanwege een nieuwe aanhouding. De verdachte was veroordeeld tot vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf door de politierechter, maar de voorlopige hechtenis was tijdens die zitting niet aan de orde geweest.

Het openbaar ministerie vorderde alsnog de gevangenhouding van de verdachte, waarbij het hof oordeelde dat deze vordering onrechtmatig was omdat het bevel tot bewaring slechts een dwangmiddel is voor het vooronderzoek en niet als algemene titel tot detentie na berechting in eerste aanleg kan dienen. Het hof stelde dat het OM hiermee een niet bestaande rechtsingang tot detentie probeerde te creëren.

Daarom verklaarde het hof het openbaar ministerie niet ontvankelijk in haar vordering tot gevangenhouding. De advocaat-generaal werd geïnformeerd van deze beschikking. De beslissing werd genomen door het zesde enkelvoudige strafkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 3 oktober 2008.

Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet ontvankelijk verklaard in haar vordering tot gevangenhouding van de verdachte.

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam
pkn: 23-005720-07
Het gerechtshof te Amsterdam, zesde enkelvoudige strafkamer,
Beschikking op de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot de gevangenhouding van:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
thans gedetineerd in het huis van bewaring Haarlem, te Haarlem.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam op 13 september 2007 is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf, tegen welk vonnis hoger beroep is ingesteld bij dit hof.
De beoordeling
In de onderhavige strafzaak is de verdachte sinds 21 september 2008 gedetineerd op basis van een bevel bewaring, gegeven door de rechter-commissaris op 29 juni 2007, tijdens het vooronderzoek en voorafgaande aan de berechting in eerste aanleg. Vervolgens is de tenuitvoerlegging van dat bevel op 29 juni 2007 geschorst.
Deze schorsing van de tenuitvoerlegging is opgeheven door de raadkamer van de rechtbank op 3 september 2007, om reden dat de verdachte opnieuw was aangehouden op verdenking van het plegen van een strafbaar feit.
Ter zake van de onderliggende feiten (zie het genoemde bevel bewaring) is de verdachte veroordeeld tot vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf door de politierechter te Amsterdam op 13 september 2007.
Op de betreffende zitting, waar de verdachte werd vertegenwoordigd door een gemachtige raadsman, is de voorlopige hechtenis van de verdachte niet aan de orde geweest. In januari 2008, in juni 2008 en in augustus 2008 is de verdachte in het kader van andere strafzaken gedetineerd geweest. Tussentijds was hij op vrije voeten.
Aansluitend op die laatste detentie werd de verdachte met ingang van 21 september 2008 vastgehouden op basis van voormeld bevel bewaring. Thans vordert het openbaar ministerie alsnog de gevangenhouding van de verdachte.
Deze handelwijze suggereert dat de tenuitvoerlegging van een indertijd qua duur nog niet geheel ten uitvoer gelegd bevel bewaring wordt opgevat als een algemene titel tot detentie. Daarmee wordt het nauwe verband van het bevel bewaring met het voorbereidend onderzoek – vóórdat de berechting in eerste aanleg plaats heeft – ten gronde miskend.
Het hof is van oordeel dat de onderhavige vordering ten gronde niet past in de opzet van het strafprocesrecht. De bewaring is een vrijheidsbenemend dwangmiddel dat past in het vooronderzoek voor de berechting in eerste aanleg, en niet in de periode dat na de berechting in eerste aanleg nog hoger beroep hangende is. En het is zeker geen titel voor executie van een vrijheidsstraf.
Op het daartoe aangewezen moment, te weten ter zitting van de politierechter, heeft noch de officier van justitie noch de politierechter zich over de voorlopige hechtenis uitgelaten.
Het Wetboek van Strafvordering voorziet slechts in bepaalde gevallen in de mogelijkheid voor het openbaar ministerie om door hem niet gewenste onderbrekingen van de voorlopige hechtenis, ontstaan door zijn nalatigheid, te herstellen, zoals in het geval van artikel 66a van dat wetboek. Een dergelijk geval doet zich hier niet voor. De vordering tot gevangenhouding ontbeert in deze zaak dan ook iedere wettelijke of doctrinaire basis. Als zodanig beschouwt het hof deze vordering derhalve als een poging een juridisch niet bestaande rechtsingang tot detentie te scheppen. Het hof zal deze poging niet honoreren, omdat het gaat om een in het strafvorderlijk systeem niet passende mogelijkheid.
Het hof is dan ook van oordeel dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, nu deze niet kan worden beschouwd als een op de wet gebaseerde vordering.
De beslissing
Het hof:
VERKLAART het openbaar ministerie NIET ONTVANKELIJK in zijn vordering tot gevangenhouding.
Deze beschikking is gegeven te Amsterdam in raadkamer op 3 oktober 2008
door mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, voorzitter, in tegenwoordigheid van A.J.W. van Kalken als griffier.
De advocaat-generaal bij het ressortsparket Amsterdam brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.
Amsterdam, 3 oktober 2008
De advocaat-generaal,