ECLI:NL:GHAMS:2008:BF7454
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Smeeïng-van Hees
- Van den Brink
- Van Rossum
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake aansprakelijkheid en onrechtmatigheid bij executoriale veiling van roerende zaken
De Ontvanger legde in 2004 executoriaal beslag op roerende zaken van een vennootschap onder firma (vof) en verkocht deze op 19 augustus 2004. Appellant bracht biedingen uit tijdens deze veiling en sloot een koopovereenkomst, maar weigerde het volledige bedrag van € 25.554 te voldoen, omdat hij de gang van zaken betwistte. Vervolgens werden de zaken op 1 september 2004 opnieuw verkocht ten laste van appellant voor € 3.960. De Ontvanger vorderde van appellant het verschil en de kosten van de tweede verkoop.
Appellant stelde dat hij namens zijn cliënt en als directeur van een B.V. handelde en dat de veiling onrechtmatig was. Het hof oordeelde dat appellant zelf feitelijk had geboden en onvoldoende had onderbouwd dat hij bevoegd was namens zijn cliënt op te treden. Ook was onvoldoende gesteld dat de vof geen eigenaar meer was van de goederen, terwijl het bestaan van de vof na ontbinding voortduurde voor vereffening. Verder was het inzetten van een rijksbieder door de Ontvanger niet onrechtmatig en had appellant voldoende gelegenheid gehad om maatregelen te treffen.
De grieven van appellant faalden, waaronder zijn betoog over natrekking en de kosten van de voortgezette verkoop. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Utrecht en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep.