ECLI:NL:GHAMS:2008:BD2720
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Van den Brink
- Smeeïng-van Hees
- Knottnerus
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen verzet faillissementsvonnis: geen misbruik bevoegdheid vastgesteld
Appellanten hebben het faillissement van [X] B.V. aangevraagd nadat de vennootschap haar verplichtingen uit een koopovereenkomst niet kon nakomen vanwege een beslag. De rechtbank Utrecht had het faillissement vernietigd wegens misbruik van bevoegdheid door appellanten, die het faillissement zouden hebben gebruikt om levering van het pand af te dwingen.
In hoger beroep heeft het hof overwogen dat [geïntimeerde] terecht als belanghebbende in de zin van artikel 10 lid 1 Fw Pro is aangemerkt vanwege haar pensioenaanspraken bij de vennootschap. Het hof concludeert dat de vennootschap in staat van faillissement verkeert omdat zij is opgehouden te betalen.
Het hof oordeelt dat appellanten geen misbruik van bevoegdheid hebben gemaakt bij hun faillissementsaanvraag. De koopprijs van het pand wijkt niet significant af van taxatiewaarden en er is geen bewijs voor samenspanning tussen appellanten en de vennootschap. De stelling dat het faillissement werd ingezet om het pand onder de marktwaarde te verkrijgen wordt verworpen.
Het hof vernietigt het eerdere vonnis dat het verzet gegrond verklaarde en verklaart het verzet alsnog ongegrond. [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de proceskosten van zowel het verzet in eerste aanleg als het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof verklaart het verzet tegen het faillissementsvonnis ongegrond en veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten.