ECLI:NL:GHAMS:2007:BC3113
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verbod op verwijderen spandoeken en posters in het kader van vrijheid van meningsuiting
In deze zaak vorderden [W] c.s. een verbod aan de Staat om spandoeken en posters met kritische teksten over minister Verdonk te verwijderen totdat een definitieve strafrechtelijke veroordeling was uitgesproken. De voorzieningenrechter had een gedeeltelijk verbod gegeven, met een beperking van de duur tot de strafrechter in eerste aanleg over de toelaatbaarheid van de teksten had beslist.
De Staat ging in hoger beroep tegen deze gedeeltelijke toewijzing, stellende dat het verbod niet terecht was en dat inbeslagname van de posters op grond van artikel 96 Sv Pro mogelijk was. Het hof oordeelde dat het belang van [W], [X] en [Z] bij het verbod onvoldoende was aangetoond en vernietigde het verbod voor zover het op hen betrekking had. Tevens oordeelde het hof dat inbeslagname van de poster niet gerechtvaardigd was omdat de uiting bijdroeg aan een actueel publiek debat en de vrijheid van meningsuiting volgens artikel 10 EVRM Pro bescherming verdient.
Het hof bevestigde dat het Openbaar Ministerie in kort geding niet het recht kan worden ontzegd om verder op te treden indien de strafrechter in eerste aanleg een strafbaar feit vaststelt. De kostenveroordelingen werden verdeeld tussen partijen. Het arrest onderstreept het belang van vrijheid van meningsuiting, vooral in politieke discussies, en stelt grenzen aan het optreden van justitie tegen kritische uitingen.
Uitkomst: Het hof vernietigt het verbod op het verwijderen van posters voor sommige eisers en bevestigt het belang van vrijheid van meningsuiting met beperkte duur van het verbod tot de strafrechter beslist.