ECLI:NL:GHAMS:2007:BC1426
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Vordering zus tot medewerking broer aan verkoop voormalige ouderlijke woning afgewezen
De zaak betreft een geschil tussen broer en zus over de verkoop van de voormalige ouderlijke woning die deel uitmaakt van de nalatenschap van hun moeder. De moeder had in haar testament bepaald dat de woning aan de broer werd gelegateerd onder de last van inbreng in de nalatenschap. De zus vorderde in kort geding dat de broer medewerking verleent aan de verkoop van de woning, omdat hij niet reageerde op haar aanmaningen en de woning zou verwaarlozen.
De voorzieningenrechter wees de vordering van de zus toe, maar het hof vernietigt dit vonnis. Het hof oordeelt dat de belangen van de broer, die in de woning woont en geen uitzicht heeft op passende alternatieve woonruimte, zwaarder wegen dan het belang van de zus bij onmiddellijke verkoop. Daarnaast is onvoldoende aannemelijk dat de woning goed verzekerd is of dat alle lasten worden voldaan, maar dit weegt niet op tegen het belang van de broer.
Het hof overweegt dat de zus had kunnen voorzien in een beheersregeling of onderbewindstelling om de woning te behouden en dat de vordering tot een gebruiksvergoeding beter in de bodemprocedure kan worden beoordeeld. De vorderingen van de zus worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd. De zaak illustreert de toepassing van artikel 3:178 BW Pro over de verdeling van gemeenschappelijke goederen binnen een nalatenschap.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van de zus af en vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter.