ECLI:NL:GHAMS:2007:BB9630
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Smeeïng-van Hees
- Van den Brink
- Meijer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens appelverbod op interlocutoir vonnis
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het hoger beroep centraal. Appellante had tegen een vonnis van de rechtbank Utrecht hoger beroep ingesteld, waarbij zij zich uitsluitend richtte op de beslissing met betrekking tot een vordering die door de rechtbank nog niet definitief was beslist en derhalve een tussenvonnis betrof.
De rechtbank had een deelvordering toegewezen (een eindvonnis) en twee vorderingen nog niet definitief beslist, waaronder de vordering onder II die appellante in hoger beroep aanvocht. Het hof overwoog dat een tussenvonnis niet appellabel is tenzij verlof is verleend, conform de hoofdregel van art. 337 lid 2 Rv Pro. De Hoge Raad heeft in eerdere arresten bevestigd dat een appellant niet aan dit appelverbod kan ontkomen door na appel van het gehele vonnis alleen tegen het interlocutoire gedeelte grieven te richten.
Appellante's beroep werd daarom gekwalificeerd als een oneigenlijk middel voor een niet-toegelaten beroep. Ook het betoog dat het ontbreken van een dictum op de vordering onder II een kennelijke verschrijving was, werd verworpen omdat het hof eerst ontvankelijkheid moest vaststellen.
Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde appellante in de kosten van het hoger beroep. Dit arrest bevestigt de strikte toepassing van het appelverbod op tussenvonnissen zonder verlof.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens appelverbod op het interlocutoire vonnis en veroordeelt appellante in de kosten.