ECLI:NL:GHAMS:2007:BB4756
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Mannoury
- Smeeïng-van Hees
- Van der Kwaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vonnis inzake executiebevoegdheid en opheffing beslagen door bank
In deze zaak stond centraal of appellant terecht gebruik mocht maken van zijn executiebevoegdheid jegens de bank, nadat de bank de beslagen had opgeheven maar de doorhaling daarvan niet had uitgevoerd. De rechtbank Utrecht oordeelde dat appellant geen redelijk belang had om het vonnis te laten betekenen en tot executie over te gaan. Appellant stelde in hoger beroep dat de bank haar toezegging niet was nagekomen en dat er wel degelijk reden was voor twijfel over de bereidheid van de bank tot nakoming.
Het hof overwoog dat hoewel de bank niet expliciet had toegezegd de inschrijving van de beslagen door te halen, uit de opheffing van de beslagen voortvloeit de verplichting tot doorhaling. De niet-nakoming van die doorhaling was waarschijnlijk een vergissing van de bank, die het ontging dat de beslagen nog stonden ingeschreven. Ook appellant had dit lange tijd niet opgemerkt of vond het niet storend.
Het hof oordeelde dat appellant, toen hem het ongemak van de inschrijving duidelijk werd, geen redelijk belang had om direct tot betekening van het vonnis en aanspraak op dwangsommen over te gaan, zonder eerst de bank op het verzuim te wijzen. De grieven van appellant werden verworpen en het vonnis van de voorzieningenrechter werd bekrachtigd. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep.