ECLI:NL:GHAMS:2007:BB0882
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- G.J. Visser
- A.M.L. Broekhuijsen-Molenbaar
- G.M.A. van Zaltbommel
- Rechtspraak.nl
Handelsnaaminbreuk en proceskostenveroordeling in hoger beroep inzake Amsterdam Business School
In deze zaak stond de vraag centraal of de Universiteit van Amsterdam (UvA) de handelsnaam 'Amsterdam Business School' onrechtmatig gebruikte, strijdig met artikel 5 van Pro de Handelsnaamwet. IBS, die de naam 'Amsterdam Business School' als handelsnaam voert, vorderde wijziging van de naam door UvA wegens verwarringsgevaar. De kantonrechter wees dit af omdat UvA de naam niet als handelsnaam, maar als merknaam gebruikt voor onderwijsdiensten.
In hoger beroep handhaafde het hof dit oordeel. Het hof oordeelde dat UvA de naam als merk gebruikt en niet als handelsnaam, waardoor geen sprake is van handelsnaaminbreuk. IBS slaagde er niet in voldoende feiten aan te dragen die het gebruik van de naam door UvA als handelsnaam aantonen. Het verzoek tot naamswijziging werd afgewezen.
Daarnaast speelde de proceskostenveroordeling. IBS was in eerste aanleg veroordeeld tot betaling van een deel van de kosten van UvA. Het hof stelde vast dat op grond van de implementatie van de Handhavingsrichtlijn 2000/48/EG IBS in beginsel in de volledige proceskosten van UvA moet worden veroordeeld, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. Het hof vond de kosten redelijk en evenredig en wees het beroep op billijkheid af.
Het hof vernietigde het deel van de kostenveroordeling dat IBS onterecht vrijstelde van betaling en veroordeelde IBS tot betaling van het resterende bedrag in eerste aanleg en de volledige kosten in hoger beroep. De beschikking van de kantonrechter werd voor het overige bekrachtigd.
Uitkomst: De vorderingen van IBS tot wijziging van de handelsnaam worden afgewezen en IBS wordt veroordeeld tot betaling van volledige proceskosten.