ECLI:NL:GHAMS:2007:BA1909
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- O.B. Onnes
- P.M.F. van Loon
- J.A. van Horzen
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende bewijs voor vervangingsreserve bij verkoop onroerende zaken in inkomstenbelasting 2000
Belanghebbende en Y waren vennoten van een VOF die panden E-straat 3 en D-straat 2 te Z in 2000 met boekwinst verkochten. Belanghebbende vormde een vervangingsreserve voor de winst uit deze verkoop, maar de inspecteur betwistte het bestaan van een vervangingsvoornemen.
Tijdens het onderzoek bleek dat er geen concrete plannen waren om een vervangend pand met dezelfde economische functie aan te schaffen. Diverse stukken en verklaringen, waaronder een brief van de eigenaar die weigerde te verkopen, maakten aannemelijk dat het voornemen ontbrak. Ook was de vermogenspositie van de VOF zodanig dat financiering onhaalbaar leek.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet aan de bewijslast had voldaan om het vervangingsvoornemen aannemelijk te maken. De verklaring van 2003 was te laat en de interesse in aankoop van een pand met een andere economische functie rechtvaardigde geen vervangingsreserve. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
De uitspraak bevestigt dat het vormen van een vervangingsreserve alleen is toegestaan als het vervangende bedrijfsmiddel dezelfde economische functie vervult en het voornemen tot vervanging op het relevante moment concreet en aannemelijk is.
Proceskosten werden niet toegewezen omdat belanghebbende in het ongelijk werd gesteld zonder dat sprake was van onredelijk procesgedrag.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard omdat niet is aangetoond dat er een vervangingsvoornemen bestond.