ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ6090
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.J.M. Smit
- M.E. van Zandwijk-Hillebrands
- G.J. Driessen-Poortvliet
- Rechtspraak.nl
Verrekening van vermogens bij echtscheiding naar Engels recht
Partijen zijn in 1966 gehuwd en gescheiden in 1999, waarbij zij sinds 1990 feitelijk gescheiden leefden. De zaak betreft de verrekening van hun vermogens volgens Engels recht na ontbinding van het huwelijk. De vrouw vordert een boedelverdeling naar Engels recht, inclusief een volledige inventarisatie van vermogensbestanddelen en een order tot vermogensoverheveling van de man.
Het hof stelt vast dat de vrouw onvoldoende bewijs levert voor haar stelling dat zij recht heeft op een deel van de vennootschap onder firma [X], die de man kort voor het uiteengaan van partijen is gestart. Ook wijst het hof de vordering af om schenkingen en nalatenschap van de moeder van de man bij de verdeling te betrekken, omdat het onwaarschijnlijk is dat deze gelden voor de vrouw bestemd waren.
Verder oordeelt het hof dat de alimentatie correct is vastgesteld en dat de verdeling van gezamenlijke bezittingen, waaronder de voormalige echtelijke woning en levensverzekeringen, gelijkelijk is geschied. De vrouw heeft na het uiteengaan een opleiding gevolgd en werkt in loondienst, waardoor zij deels in eigen levensonderhoud kan voorzien.
Het hof concludeert dat er geen aanleiding is voor vermogensoverheveling op grond van de Matrimonial Causes Act en bekrachtigt de eerdere vonnissen, wijzend het meer of anders gevorderde af. De proceskosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de eerdere vonnissen en wijst de vorderingen van de vrouw tot vermogensoverheveling af.