ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ1985
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Willems
- Faase
- Goslings
- Baart
- Van Maanen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijkheid besluit beëindiging activiteiten Philips Lighting Weert
De ondernemingsraad van Philips Lighting B.V. te Weert verzocht de Ondernemingskamer om het besluit tot beëindiging van de activiteiten van Philips Lighting Weert in 2007 ongedaan te maken en uitvoering te verbieden. De ondernemingsraad stelde dat het besluit zonder dwingende grond afweek van het eerder ingezette traject van een gefaseerde afbouw conform het Strategisch Plan 2006-2009 en dat Philips Lighting onvoldoende had voldaan aan de mededelingsplicht onder artikel 24 lid 1 WOR Pro.
De Ondernemingskamer onderzocht of reeds in september 2005 het besluit tot sluiting was genomen, zoals de ondernemingsraad betoogde, maar concludeerde dat de aangevoerde documenten dit niet bewezen. De besluitvorming vond naar het oordeel van de kamer pas eind maart 2006 plaats, waarna het besluit op 5 april 2006 ter advisering aan de ondernemingsraad werd voorgelegd.
Hoewel Philips Lighting tekort was geschoten in haar mededelingsplicht, was het advies van de ondernemingsraad tijdig gevraagd en kon dit nog van wezenlijke invloed zijn op het besluit. De ondernemingsraad had de mogelijkheid om invloed uit te oefenen, wat ook heeft geleid tot aanpassingen in het definitieve besluit. De inhoudelijke bezwaren van de ondernemingsraad betroffen vooral de gevolgen van het besluit, waarop Philips Lighting tegemoet is gekomen.
De Ondernemingskamer concludeerde dat het besluit niet kennelijk onredelijk is en dat het verzoek van de ondernemingsraad moet worden afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek van de ondernemingsraad tot vernietiging van het besluit tot sluiting van Philips Lighting Weert wordt afgewezen.