ECLI:NL:GHAMS:2006:AY0261
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen uitnodiging tot betaling omzetbelasting wegens onttrekking goederen aan douanetoezicht
Belanghebbende, een transport- en expediteursbedrijf, betwistte de uitnodiging tot betaling van omzetbelasting die door de inspecteur was opgelegd wegens het onttrekken van goederen aan het douanetoezicht in Nederland. De goederen waren abusievelijk niet bij de douane aangebracht maar direct bij de ontvanger D B.V. afgeleverd, die geen aanwijzing had als bedoeld in artikel 23 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968.
Belanghebbende stelde dat D wel beschikte over een dergelijke aanwijzing en dat de omzetbelasting daarom door D had moeten worden voldaan. Tevens voerde zij aan dat bijzondere omstandigheden bestonden voor terugbetaling op grond van artikel 239 van Pro het Communautair douanewetboek (CDW). De inspecteur betwistte dit en voerde aan dat D geen aanwijzing had en ook niet de macht had om over de goederen te beschikken ten tijde van de onttrekking.
Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat D beschikte over een aanwijzing en dat D de goederen als geadresseerde bestemd had gekregen. Ook was geen sprake van bijzondere omstandigheden voor terugbetaling. De omzetbelasting werd terecht geheven op grond van artikel 22, lid 1, van de Wet OB en belanghebbende werd als schuldenaar aangemerkt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de uitnodiging tot betaling van omzetbelasting wordt ongegrond verklaard.