ECLI:NL:GHAMS:2006:AX2043
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- D.B. Bijl
- Rechtspraak.nl
Meewerkaftrek echtgenote volledig toe te rekenen aan onderneming belanghebbende
Belanghebbende en zijn broer exploiteren samen een glaszettersbedrijf in firmaverband. De echtgenotes van beide broers hebben ieder circa tweeduizend uren arbeid verricht ten behoeve van de onderneming. De discussie betrof de toerekening van de door de echtgenote van belanghebbende gewerkte uren en de hoogte van de meewerkaftrek.
De inspecteur stelde dat de arbeid van de echtgenote voor 50% ten behoeve van belanghebbende en voor 50% ten behoeve van diens broer was verricht, waardoor de meewerkaftrek op 2% van de winst werd gesteld. Het Hof oordeelde dat bij de beantwoording van deze vraag de bedoeling van de echtgenoot bij het verrichten van de werkzaamheden doorslaggevend is. Indien de echtgenoot uitsluitend zijn eigen partner wil ontlasten, moet de arbeid volledig aan diens onderneming worden toegerekend.
Belanghebbende stelde dat zijn echtgenote uitsluitend hem ontlastte en niet zijn broer. Het Hof achtte dit aannemelijk en rekende de volledige uren toe aan de onderneming van belanghebbende. Hierdoor werd de meewerkaftrek vastgesteld op 4% van de winst. De aanslagen in de inkomstenbelasting en premie Zfw werden dienovereenkomstig verminderd. Tevens werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De meewerkaftrek wordt vastgesteld op 4% van de winst en de aanslagen worden verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 36.691.