ECLI:NL:GHAMS:2006:AX2043

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/00263
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D.B. Bijl
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44n Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Meewerkaftrek echtgenote volledig toe te rekenen aan onderneming belanghebbende

Belanghebbende en zijn broer exploiteren samen een glaszettersbedrijf in firmaverband. De echtgenotes van beide broers hebben ieder circa tweeduizend uren arbeid verricht ten behoeve van de onderneming. De discussie betrof de toerekening van de door de echtgenote van belanghebbende gewerkte uren en de hoogte van de meewerkaftrek.

De inspecteur stelde dat de arbeid van de echtgenote voor 50% ten behoeve van belanghebbende en voor 50% ten behoeve van diens broer was verricht, waardoor de meewerkaftrek op 2% van de winst werd gesteld. Het Hof oordeelde dat bij de beantwoording van deze vraag de bedoeling van de echtgenoot bij het verrichten van de werkzaamheden doorslaggevend is. Indien de echtgenoot uitsluitend zijn eigen partner wil ontlasten, moet de arbeid volledig aan diens onderneming worden toegerekend.

Belanghebbende stelde dat zijn echtgenote uitsluitend hem ontlastte en niet zijn broer. Het Hof achtte dit aannemelijk en rekende de volledige uren toe aan de onderneming van belanghebbende. Hierdoor werd de meewerkaftrek vastgesteld op 4% van de winst. De aanslagen in de inkomstenbelasting en premie Zfw werden dienovereenkomstig verminderd. Tevens werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De meewerkaftrek wordt vastgesteld op 4% van de winst en de aanslagen worden verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 36.691.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Vierde Enkelvoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen de uitspraken van de inspecteur van de Belastingdienst te P, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de premie Ziekenfondswet (hierna: Zfw) over het jaar 2000.
Het Hof heeft het beroep behandeld ter zitting van 18 april 2006 te Hilversum.
Beslissing
Het Hof:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de aanslagen in de IB/PVV en premie Zfw tot aanslagen berekend naar een belastbare inkomen respectievelijk een heffingsgrondslag van ƒ 36.691;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten tot het beloop van € 322 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen; en
- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 37 aan belanghebbende te vergoeden.
Gronden
1. Belanghebbende en zijn broer exploiteren onder de naam “A” in firmaverband een glaszettersbedrijf. Zij delen ieder voor 50% in de winst van de vennootschap onder firma. Vaststaat dat de echtgenotes van de broers in het onderhavige jaar ieder twee duizend uren arbeid hebben verricht ten behoeve van “A”.
2. Belanghebbende heeft zijn beroep betreffende de aanslag in de premie WAZ ingetrokken. Het Hof hoeft zich dan ook nog uitsluitend uit te laten over de aanslagen in de IB/PVV en de premie Zfw. Partijen hebben het geschil ter zitting aldus ingeperkt dat voor deze aanslagen slechts in geschil is of de meewerkaftrek op basis van het bepaalde in artikel 44n van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gelijk is aan 2% dan wel 4% van de winst. De inspecteur heeft erkend dat hij ten onrechte een correctie op de giftenaftrek heeft toegepast.
3. In artikel 44n, eerste en tweede lid, is het volgende bepaald:
1. Ten aanzien van de gehuwde niet duurzaam gescheiden levende belastingplichtige wiens echtgenoot arbeid verricht in een door hem voor eigen rekening gedreven onderneming, wordt een meewerkaftrek toegepast indien gedurende het kalenderjaar de voor werkzaamheden beschikbare tijd van die echtgenoot voor een in het tweede lid aangegeven aantal uren in beslag wordt genomen door die arbeid.
2. De meewerkaftrek wordt gesteld op:
a. bij een aantal uren van 1750 of meer: 4 percent van de winst;
b. (...)
c. bij een aantal uren van 875 of meer doch minder dan 1225: 2 percent van de winst;
d. (...)
4. De inspecteur stelt dat de echtgenote van belanghebbende haar activiteiten heeft verricht voor de vennootschap onder firma en dat deze arbeid om die reden moet worden geacht voor 50% te zijn verricht ten behoeve van belanghebbende en voor 50% ten behoeve van diens broer. Hij stelt het aantal door de echtgenote in de onderneming van belanghebbende gemaakte uren op duizend en de meewerkaftrek op 2% van de winst.
5. Naar het oordeel van het Hof dient bij de beantwoording van een vraag als de onderhavige betekenis te worden toegekend aan de bedoeling van een echtgenoot bij het verrichten van de werkzaamheden. Indien een echtgenoot zijn arbeid verricht om uitsluitend zijn eigen partner te ontlasten, moet worden geoordeeld dat de verrichte arbeid in zijn geheel wordt verricht in de door die partner voor eigen rekening gedreven onderneming.
6. Belanghebbende heeft gesteld dat de meewerkende echtgenotes ieder hun eigen partner bijstonden. Het Hof begrijpt deze stelling aldus dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat zijn echtgenote de arbeid heeft verricht om uitsluitend hem – en derhalve niet zijn broer – te ontlasten. Het Hof acht het aldus gestelde aannemelijk. Dit betekent dat de tweeduizend door de echtgenote van belanghebbende gewerkte uren volledig moeten worden geacht te zijn toe te rekenen aan de voor rekening van belanghebbende gedreven onderneming. De meewerkaftrek bedraagt derhalve 4% van de winst. Alsdan is niet in geschil dat het belastbare inkomen en de heffingsgrondslag voor de premie Zfw dienen te worden vastgesteld op ƒ 36.691.
7. Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op dit besluit worden de proceskosten begroot op € 322, zijnde € 322 x 1 (voor proceshandelingen) x 1 (voor het gewicht van de zaak).
De uitspraak is gedaan op 2 mei 2006 door mr. D.B. Bijl, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. E.T.N.P. Plat als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door het lid van de belastingkamer en de griffier is ondertekend.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.