ECLI:NL:GHAMS:2005:AV0200
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- P. Ingelse
- N. van Lingen
- H. Sorgdrager
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen schorsing executie strafvonnis
De Staat der Nederlanden heeft hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de voorzieningenrechter die de executie van een gevangenisstraf schorste totdat het cassatieberoep onherroepelijk is beslist. De strafvonnis betrof een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan vijf voorwaardelijk, opgelegd aan de verweerder bij verstek.
De voorzieningenrechter had de schorsing van de executie op grond van artikel 557 lid 3 Wetboek Pro van Strafvordering toegekend. De Staat voerde aan dat de procedure ten onrechte als civielrechtelijk was behandeld en dat het openbaar ministerie niet zelf in civiele procedures kan optreden. Tevens stelde de Staat dat de zaak door de strafkamer behandeld had moeten worden.
Het hof oordeelde dat het hier ging om een strafvorderlijke procedure conform artikel 21 en Pro 24 Sv, ondanks de vermelding van 'voorzieningenrechter in kort geding' en behandeling door de burgerlijke kamer. Het hof stelde vast dat het hoger beroep niet was ingesteld door het openbaar ministerie en dat de procedure niet voldeed aan artikel 449 Sv Pro, waardoor de Staat niet ontvankelijk is in het hoger beroep.
De beslissing van het hof is dat de Staat niet ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep tegen de schorsingsbeschikking van de voorzieningenrechter.
Uitkomst: De Staat wordt niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de schorsing van de executie van het strafvonnis.