ECLI:NL:GHAMS:2004:AR5893
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Boersma
- Goes
- Kemmers
- Rechtspraak.nl
Vermindering aanslag inkomstenbelasting sparen en beleggen wegens onverschuldigde betaling
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2001, specifiek gericht op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Hij had in december 2001 een bedrag van ƒ 450.000 gestort op een rekening van de Belastingdienst zonder dat er een voorlopige aanslag was opgelegd. De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond en hield vast aan de aanslag, zij het na ambtshalve vermindering.
Het geschil betrof de vraag of de storting van ƒ 450.000 per 31 december 2001 tot de rendementsgrondslag behoorde. Het hof stelde vast dat de materiële belastingschuld over het voordeel uit sparen en beleggen pas per 1 januari 2002 ontstaat, zodat de betaling vóór die datum een onverschuldigde betaling was. Hierdoor ontstond een vordering van belanghebbende op de Belastingdienst, die tot de overige vermogensrechten behoort en niet tot de rendementsgrondslag.
De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten en de aanslag werd gehandhaafd zoals verminderd door de inspecteur. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de inspecteur vernietigd. De zaak biedt duidelijkheid over het tijdstip van het ontstaan van de materiële belastingschuld en de gevolgen van vroegtijdige betalingen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt gegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd na ambtshalve vermindering.