ECLI:NL:GHAMS:2004:AO5572
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Faase
- Van der Ouderaa
- Hamer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling eigen vermogentoerekening vaste inrichting bank voor vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een in België gevestigde bank met een vaste inrichting in Nederland, heeft haar Nederlandse vestiging uitsluitend met vreemd vermogen gefinancierd. De inspecteur rekende echter eigen vermogen toe aan deze vaste inrichting, gebaseerd op het eigen vermogen van het Belgische hoofdkantoor en de BIS-ratio, en beperkte daardoor de aftrek van rentelasten.
Belanghebbende betwistte deze toerekening en stelde dat dit in strijd is met de Tweede Banken Richtlijn en de Investment Services Directive, en dat zij vrij is haar vaste inrichting geheel met vreemd vermogen te financieren. Het hof oordeelde dat de richtlijnen niet verhinderen dat voor fiscale winstbepaling het eigen vermogen van het hoofdkantoor deels wordt toegerekend aan de vaste inrichting volgens de zelfstandigheidsfictie.
Het hof stelde vast dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar Nederlandse vaste inrichting uitsluitend met vreemd vermogen is gefinancierd. De inspecteur heeft op redelijke wijze het eigen vermogen toegerekend en de methode van berekening van de rentecorrectie is niet in strijd met het belastingverdrag of het fiscale toetsingskader.
De stelling dat vaste inrichtingen slechter worden behandeld dan dochtervennootschappen werd verworpen, omdat de zelfstandigheidsfictie juist een gelijke fiscale behandeling beoogt. Ook de door belanghebbende aangevoerde Resolutie uit 1930 biedt geen grond om het beroep toe te wijzen.
Het hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de aanslag met een belastbaar bedrag van ƒ 642.840 over 1995.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting bevestigd.