ECLI:NL:GHAMS:2003:AQ1020
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergunningaanvraag voor beheer douane-entrepot type E wegens onvoldoende voorraadadministratie
Belanghebbende, een douane-expediteur, verzocht in 1997 om een vergunning voor het beheren van een douane-entrepot type E, waarbij zij goederen van cliënten op locatie wilde opslaan onder douaneverband. De inspecteur stelde een initieel onderzoek in naar de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) van belanghebbende. Uit dit onderzoek bleek dat de voorraadadministratie niet voldeed aan de eisen van artikel 520 van Pro de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (UCDW), met name omdat deze niet controleerbaar was.
Belanghebbende voerde aan dat zij als beheerder in de zin van artikel 99 van Pro het Communautair douanewetboek (CDW) moest worden aangemerkt en dat de douane haar een rechtmatig vertrouwen had gegeven dat de vergunning zou worden verleend. Ook werd een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. De Douanekamer oordeelde dat de AO/IC-beschrijving onvoldoende was en dat het vertrouwen op toezeggingen van de douane niet aannemelijk was gemaakt. Het gelijkheidsbeginsel faalde omdat niet was aangetoond dat vergelijkbare bedrijven dezelfde administratieve organisatie hanteerden.
De Douanekamer concludeerde dat de inspecteur terecht het verzoek om vergunning had afgewezen. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen omdat het beroep ongegrond werd verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de afwijzing van haar vergunningaanvraag voor het beheer van een douane-entrepot type E wordt ongegrond verklaard.