ECLI:NL:GHAMS:2003:AN7539
Gerechtshof Amsterdam
- Mondelinge uitspraak
- Boersma
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag en boete wegens onjuiste aangifte inkomstenbelasting 1996
Belanghebbende, destijds gehuwd en later gescheiden, deed in 1998 aangifte van een negatief inkomen over 1996 met de aanduiding P.M. voor dividend en aflossing van een turbo-lening. De inspecteur stelde na boekenonderzoek vast dat er sprake was van een aanzienlijk belastbaar voordeel uit aanmerkelijk belang, waarop een navorderingsaanslag en boete werden opgelegd.
De inspecteur nam een beschikking op het bezwaar, die ten onrechte als 'beschikking' was aangeduid, maar het Hof oordeelde dat dit een uitspraak op bezwaar betrof en dat het bezwaar terecht als beroep werd doorgezonden. Het Hof oordeelde dat de aanduiding P.M. in de aangifte niet voldeed aan de vereisten en dat de gemachtigde willens en wetens het risico nam dat te weinig belasting werd geheven.
Het Hof achtte het opzet van de gemachtigde aan belanghebbende toe te rekenen en vond een boete van 50% passend, waarbij de inspecteur rekening had gehouden met verzachtende omstandigheden. Het beroep werd ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag en boete gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag en boete inkomstenbelasting 1996 wordt ongegrond verklaard.