ECLI:NL:GHAMS:2003:AM7963

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/01965 PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
  • Faase
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3d ZiekenfondswetArtikel 8 Besluit geneeskundige verzorging politie 1994Artikel 7 Besluit geneeskundige verzorging politie 1994Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigenArtikel 11 Wet van 15 mei 1829
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voorlopige aanslag Ziekenfondswet bij dubbele verzekering politieambtenaar

Belanghebbende, een politieambtenaar die tevens een eigen onderneming dreef, was in 2001 verplicht verzekerd op grond van de Ziekenfondswet en het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994 (Besluit GVP). De kern van het geschil betrof de vraag of de voorlopige aanslag in de premie Ziekenfondswet moest worden verminderd tot nihil vanwege deze dubbele verzekering.

Het Hof stelde vast dat geen sprake was van een blijvende dubbele premiebetaling of dubbele verzekering, aangezien de GVP-verzekering een aanvullende dekking bood en restitutie van de ziekenfondspremie mogelijk was. De administratieve rompslomp rond restitutie werd door belanghebbende als bezwaarlijk ervaren, maar dit leidde niet tot een ander oordeel.

Belanghebbende voerde ook aan dat de verplichte ziekenfondsverzekering onbillijk zou uitwerken, maar het Hof wees dit af omdat het hier ging om een wettelijke regeling waarover de rechter niet mag oordelen. De voorlopige aanslag werd dan ook terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: De voorlopige aanslag in de premie Ziekenfondswet is terecht opgelegd en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Negende Enkelvoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
de uitspraak met dagtekening 10 april 2003 van Y, de inspecteur, betreffende de aan belanghebbende met dagtekening 30 mei 2002 opgelegde voorlopige aanslag in de premie Ziekenfondswet voor het jaar 2001.
Het beroep is behandeld ter zitting van 1 oktober 2003.
Beslissing
Het Hof verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
1. Belanghebbende geniet in 2001 winst uit een feitelijk door haarzelf gedreven onderneming. Daarnaast is belanghebbende fulltime werkzaam bij de politie A. Belanghebbende is in 2001 verzekerd ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen (hierna: de WAZ).
2. In geschil is of de onderhavige voorlopige aanslag in de premie Ziekenfondswet moet worden verminderd tot nihil, nu belanghebbende eveneens ingevolge het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994 (hierna: Besluit GVP) verplicht is verzekerd voor ziektekosten. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op grond van de regeling van artikel 3d van de Ziekenfondswet voor het jaar 2001 verplicht ziekenfondsverzekerd is.
3. In artikel 8 van Pro het Besluit GVP (tekst 2001) is het volgende bepaald: "De vergoedingen of tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 7, worden niet toegekend (…) indien met betrekking tot de kosten, voortvloeiende uit ziekte of ongeval overeenkomstige aanspraken tegenover derden bestaan (…)."
Uit deze bepaling volgt, naar ook tussen partijen vaststaat, dat de politieambtenaar die (mede) verplicht verzekerd is in de zin van de Ziekenfondswet zich voor vergoedingen van en tegemoetkomingen in de ziektekosten eerst dient te wenden tot de ziekenfondsverzekering en dat de GVP-verzekering vervolgens slechts vergoedingen van en tegemoetkomingen in ziektekosten verstrekt voor zover deze kosten niet door de ziekenfondsverzekering worden gedekt. Vaststaat voorts dat de GVP-verzekering een ruimere en betere dekking geeft dan de ziekenfondsverzekering en mitsdien in zoverre kan worden aangemerkt als een aanvullende verzekering.
4. Belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk bevestigd dat, gelijk de inspecteur heeft gesteld, de politieambtenaar die (mede) verplicht verzekerd is in de zin van de Ziekenfondswet na het overleggen van betaalbewijzen bij de Dienst geneeskundige verzorging politie (hierna: DGVP) aanspraak kan maken op restitutie van het nominale en het procentuele deel van de premie Ziekenfondswet (tot maximaal het bedrag van de GVP-verzekeringspremie). Zij heeft echter gesteld dat met die restitutie door de DGVP drie maanden zijn gemoeid en dat de administratieve rompslomp welke aldus door de DGVP, althans de overheid, wordt veroorzaakt niet op haar mag worden afgewenteld. Zij stelt, naar het Hof begrijpt, dat de van haar ingehouden premie voor de GVP-verzekering moet worden verrekend met de premie Ziekenfondswet. Uit dien hoofde dient de onderhavige voorlopige aanslag te worden verminderd tot nihil, aldus belanghebbende.
5. Het Hof overweegt dat uit het onder 3. en 4., eerste volzin, vermelde volgt dat van een blijvende dubbele verzekering en/of dubbele premiebetaling voor belanghebbende geen sprake is en dat evenmin kan worden gezegd dat belanghebbende geen aanspraken aan de ziekenfondsverzekering kan ontlenen of geldend kan maken. In zoverre is dan ook naar 's Hofs oordeel geen sprake van strijd met het doel of de strekking van de Ziekenfondswet. Nu voorts vaststaat dat belanghebbende voor het jaar 2001 overigens voldoet aan alle in artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet bedoelde voorwaarden voor de verplichte ziekenfonds-verzekering, is de voorlopige aanslag naar het oordeel van het Hof terecht opgelegd. De omstandigheid dat de door de DGVP gevolgde werkwijze voor de restitutie van de ziekenfondspremie door belanghebbende als uiterst omslachtig wordt ervaren, leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof merkt hierbij nog op dat, nu sprake is van een in het kader van haar dienstbetrekking verplichte verzekering, belanghebbende haar bezwaren omtrent de premierestitutie door de DGVP dient te richten aan het adres van haar werkgever.
6. Belanghebbende heeft, naar het Hof begrijpt, nog gesteld dat de verplichte ziekenfondsverzekering in haar geval onbillijk en onredelijk uitwerkt. Het Hof verstaat deze grief als een bezwaar tegen de Wet van 28 oktober 1999, Stb. 1999, 461 (inzake de invoering van de ziekenfondsverzekeringsplicht voor zelfstandigen) en/of tegen de regeling van artikel 3d van de Ziekenfondswet. Over deze grief van belanghebbende kan het Hof zich niet uitlaten, omdat belanghebbende zich daarmee richt tegen de (regeling van artikel 3d van de) Ziekenfondswet als zodanig. Artikel 11 van Pro de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, bepaalt immers dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. De bezwaren van belanghebbende tegen de hier bedoelde wettelijk regeling behoren dan ook gericht te worden aan het adres van de wetgever.
7. Op grond van al het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de voorlopige aanslag terecht is opgelegd. Ook hetgeen belanghebbende overigens heeft gesteld leidt niet tot een ander oordeel. Gezien het vorenoverwogene is het gelijk aan de inspecteur.
Proceskosten
Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan op 15 oktober 2003 door mr. Faase, lid van de belasting-kamer, in tegenwoordigheid van mr. Schiltkamp als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door genoemd lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.