ECLI:NL:GHAMS:2003:AF8493
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Onnes
- Steenbergen
- Van Vijfeijken
- Rechtspraak.nl
Beoordeling successierecht over Maror-gelden en aftrek godsdienstige plechtigheden
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag successierecht over Maror-gelden die aan haar overleden neef waren toegekend. Het geschil betrof of deze gelden deel uitmaken van de nalatenschap en hoe de waarde daarvan moet worden vastgesteld.
Het hof stelde vast dat het recht op de Maror-gelden onvoorwaardelijk aan de erflater toebehoorde en daarmee tot zijn vermogen en nalatenschap behoorde. De waarde van dit recht werd gesteld op de eerste betaling van ƒ 14.000, die redelijkerwijs als een voorzichtige schatting werd gezien.
Verder erkende het hof dat de door belanghebbende gestorte som in het B-Fonds voor godsdienstige plechtigheden ten behoeve van de overledene onder de aftrekregeling van de Successiewet valt, maar alleen voor het deel dat betrekking heeft op plechtigheden binnen het eerste jaar na overlijden, wat neerkwam op ƒ 540.
De aanslag werd dienovereenkomstig verminderd en de inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Het hof verwierp het beroep op willekeur en het vertrouwen op het Besluit van de staatssecretaris dat betalingen aan rechthebbenden belastingvrij zouden zijn.
Uitkomst: De aanslag successierecht wordt verminderd tot een verkrijging van ƒ 30.852 met aftrek van ƒ 540 voor godsdienstige plechtigheden.