ECLI:NL:GHAMS:2003:AF8488
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Faase
- Kreijns-Mostermans
- Rechtspraak.nl
Hof vermindert verzuimboeten en bevestigt niet-aftrekbare hypotheekrente bij te late aangifte
Belanghebbende, een rijksambtenaar, diende voor de jaren 1999 en 2000 zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen te laat of niet in. Voor 1999 werd een aanslag opgelegd op basis van een ambtshalve vaststelling met een verzuimboete van ƒ 1.750, en voor 2000 een aanslag met een verzuimboete van ƒ 2.500. Belanghebbende betwistte zowel de hoogte van het belastbare inkomen als de opgelegde boeten.
De kern van het geschil betrof de aftrekbaarheid van een bedrag van ƒ 1.400 aan hypotheekrente, waarvan belanghebbende stelde dat deze betrekking had op rentelasten van een tweede hypotheek die gefinancierd was met kosten voor woningverbeteringen. De inspecteur betwistte dit en stelde dat onvoldoende bewijs was geleverd voor het causale verband tussen de lening en de woningkosten.
Het Hof oordeelde dat vanwege het niet of te laat indienen van aangiften de bewijslast omgekeerd is en belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de rente daadwerkelijk betrekking had op een hypothecaire lening voor de eigen woning. Daarom werd het bedrag van ƒ 1.400 terecht niet in aftrek toegelaten.
Ten aanzien van de verzuimboeten stelde het Hof vast dat eerdere verzuimen niet meetellen in de verzuimenreeks omdat daarvoor geen boeten waren opgelegd. Hierdoor waren de opgelegde boeten onterecht hoog. Het Hof stelde de boeten vast op € 22 voor 1999 en € 68 voor 2000. Daarnaast werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: De verzuimboeten werden verminderd tot € 22 en € 68, terwijl de hypotheekrenteaftrek van ƒ 1.400 werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs.